Op 19 maart 2008 stuurde de regering (de toenmalige minister van LNV, mevrouw
Verburg) een wetsvoorstel naar de kamer om een aantal zaken betreffende de
dierhouderij te regelen. Er moest een nieuwe wet komen, de Wet dieren, ter
vervanging van bestaande wetgeving. De overheid had daar goede redenen voor en
kon dat ook in één zin
uitleggen.
Naar aanleiding van vragen van 27 en 31 maart 2009 van de ‘vaste commissie voor
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit’ stuurde mevrouw Verburg een brief naar de
Tweede Kamer (2009-04-21 JZ
2009 1093) die ook voor de burger wat meer helderheid verschafte.
De ‘Wet dieren’
werd eind
2009 door de Tweede Kamer aangenomen en in mei 2011 stemde ook de Eerste Kamer
ermee in. Daarmee beschikken we over nieuwe wetgeving die naar verwachting op 1
januari 2013 van kracht wordt.
In de Wet dieren worden allerlei zaken op hoofdlijnen geregeld. Daarna worden de
details ingevuld met behulp van ‘Algemene Maatregelen van Bestuur’, de
zogenaamde AMvB’s.
Het ministerie van LNV (nu voortgezet in het ministerie van EL&I) heeft al een
aantal van die AMvB’s opgesteld en die aan de sector voorgelegd voor commentaar.
De kanttekeningen en suggesties, die door belanghebbenden zijn ingebracht,
werden door het ministerie in overweging genomen en vervolgens werden de
definitieve teksten van deze regelgeving vastgesteld.
Die AMvB’s zijn nu, begin april 2012, opnieuw
voorgelegd aan de partijen in de sector voor een laatste commentaar.
In de eerder genoemde brief van 21 april 2009 van minister Verburg aan de Tweede
Kamer wordt tevens verwezen naar de voorbereidingen die werden getroffen om tot
de opstelling van ‘Positieflijsten’ te komen. Er lag inmiddels een uitspraak van
het Europese Hof waarin spelregels worden vastgesteld voor het opstellen van
Positieflijsten (het zogenaamde ‘Andibel-arrest’).
Positieflijsten zijn belangrijk voor de
houders van gezelschapsdieren. Soorten die er niet in worden vermeld, mogen
nadat de lijsten van kracht worden, niet meer worden gehouden. PVH is
uitdrukkelijk van mening dat met de voorgestelde aanpak onrecht wordt gedaan aan
de vele duizenden liefhebbers van bijzondere soorten.
In principe kan elke soort worden gehouden, daarbij geldt wèl de strikte
voorwaarde dat de houder moet kunnen voldoen aan de gezondheids- en
welzijnseisen van de soort.
Het lijkt alleszins redelijk en billijk dat de maatschappij van de
gezelschapsdierensector vraagt aan te geven welke houderijvoorwaarden recht doen
aan de gezondheid en het welzijn van de soorten. Daarmee kunnen de critici zich
daarover een oordeel vormen, eventueel bedenkingen inbrengen, en hebben de
handhavers een kader om in voorkomende gevallen te toetsen.