
Anatomie van de kat
Kat en zijn zintuigen
Biologische achtergrond van normaal kattengedrag
Anatomie van de kat (auteur: J. Stoop)
Het lichaam van de kat is er speciaal op gebouwd om snel te kunnen bewegen en is er op toegerust om op prooien te jagen. Het zijn
geboren jagers. Het skelet zorgt voor een grote soepelheid. Ze kunnen snel korte afstanden afleggen, goed klimmen en springen. Hun
uithoudingsvermogen is wel beperkter dan dat van de hond.
Hun lange staart stelt ze in staat om in evenwicht te blijven. Hierdoor kan hij in de lucht ook 180 graden draaien en altijd op zijn
4 poten terecht komen. Tevens wordt de staart gebruikt als communicatie- en dreigmiddel.
De soepele wervelkolom, met 1 borst- en 2 lendenwervels meer dan de mens, geeft ze een lenigheid die ze goed van pas komen bij het
jagen. Het rudimentaire (onderontwikkelde) sleutelbeen is een smal staafje van maar 2 cm lang en vormt geen verbinding tussen de
schoudergordel en borstkas. Dit zorgt ervoor dat de kat van grote hoogten kan springen.. Ook kunnen ze goed over smalle schuttingen
lopen, omdat de voorpootjes dicht naast elkaar worden neergezet.
De nagels van een kat zijn zeer smal, spits toelopend en sterk gekromd. Ze kunnen volledig in de schacht worden teruggetrokken, zodat
de kat kan lopen zonder geluid te maken en om te voorkomen dat de nagels stomp worden door contact met de ondergrond. Scherpe nagels zijn
van belang om te kunnen klimmen, vechten en een prooi vast te pakken. Katten lopen ook op hun tenen, net als honden. Onze hiel (die we
op de grond hebben) is hun hak (die niet op de grond komt).
Katten kunnen in een vrij groot gebied met beide ogen kijken, wat nuttig is voor het jagen. Zelfs 130 graden, met beide ogen. Met
links en rechts samen 285 graden. Een mens kan dit ongeveer 110 graden en een paard 65 graden. (Daarom is het zo gevaarlijk om achter
een paard te gaan lopen, hij ziet je dus niet). Doordat de pupillen zich wijd kunnen openen kan een kat ’s nachts veel meer zien dan
een mens. Daarnaast zijn kattenogen aangepast aan nachtzicht en het zien van bewegende objecten. De overheersende kleuren die katten
zien zijn groen en blauw. De neus van een kat ruikt ongeveer 14x beter dan die van een mens en zijn gehoor is, mede dankzij de
beweeglijke oorschelpen, onovertroffen. Door de scherpe zintuigen en zijn soepele lichaam kan een kat razendsnel een prooi vangen
reflexen vertonen.
Tevens is de kat het enige dier dat kan spinnen.

Kat en zijn zintuigen (Auteur: E. Teygeler)
De kat is een kleine tijger die met zijn soepele lichaam, enorme sprongkracht, hoektanden en vlijmscherpe klauwen geldt als
hoogontwikkeld roofdier. De zintuigen van de kat zijn hier helemaal op afgestemd.
De ogen van een kat zijn vooral ontworpen om prooien goed te kunnen detecteren; ze zijn meer gespecialiseerd in beweging en zien
tijdens donkere lichtomstandigheden. Om goed te kunnen zien tijdens schemering is de achterwand van het oog bedekt met een reflecterende
laag (tapetum lucidum), wat wij zien als de ogen van een kat oplichten in het donker. Het zien van kleuren en details zijn minder
belangrijk en daarom minder ontwikkeld. De pupillen van een kat kunnen van hele smalle spleetjes tot grote zwarte ronde bollen variëren.
Pupillen worden smaller bij helder licht, groter bij schemering. Bij opwinding en angst zijn de pupillen ook wijder.
Met zijn oren kan een kat zeer hoge geluiden horen. Hij kan zijn oren onafhankelijk van elkaar draaien in de juiste richtingen om
zo de prooi, of het gevaar, goed te kunnen lokaliseren. In het gehoororgaan bevindt zich ook een gevoelig evenwichtsorgaan, waardoor de
kat veranderingen in richting en snelheid onmiddellijk signaleert en aanpast waardoor hij goed zijn evenwicht kan houden en zich
razendsnel kan omdraaien tijdens vallen. Daarom komt de kat meestal ook echt ‘op de pootjes terecht’.
Een belangrijk zintuig is de neus. Katten gebruiken hun neus om voedsel op te sporen, maar ook om geuren van andere katten te ruiken.
Met de neus ruikt een kat, maar een kat heeft in zijn gehemelte nog de restanten van een ander orgaan waarmee een ander soort
‘geurstoffen’ waargenomen kunnen worden: het orgaan van Jacobson. Dit orgaan kan feromonen waarnemen, reukloze geurstoffen die
informatie geven over de andere kat (bijvoorbeeld over het geslacht van de kat). Een kat ‘flehmt’ (ruiken met de bek open) pas als hij
eerst iets geroken heeft met zijn neus waarbij nader onderzoek nodig is; bijvoorbeeld de urine van een poes kan een kater prikkelen om
zijn bek te openen zodat hij de feromonen kan ‘ruiken’. De kater kan dan bijvoorbeeld waarnemen dat de poes bijna krols is.
Katten geven niet alleen feromonen af door te plassen, maar ook door kopjes te geven en te krabben. Over het lichaam van de kat
zijn verschillende klieren verspreid die een vettige substantie afgeven bij elk contact. Katten communiceren door middel van het afgeven
van feromonen, het is een middel om een groepsgeur te creëren en zijn territorium te markeren.
Naast de oren, ogen, de neus en het orgaan van Jacobson, is de kattentong ook een zintuig waarmee de kat zuur, bitter en zout kan
onderscheiden. Zoet kan een kat dus niet waarnemen. De tong van een kat is erg gevoelig. Bij beschadiging, berucht is bijvoorbeeld een
herpesvirusinfectie (niesziekte), kan het dier stoppen met eten en drinken als gevolg van de pijnlijke blaasjes op de tong. De naar
achteren gericht stekels zorgen ervoor dat de kat een ruwe tong heeft waarmee ze goed haar vacht kan verzorgen. Een kat waarbij problemen
aanwezig zijn van de tong is daarom snel herkenbaar omdat binnen enkele dagen een mottige, onverzorgde vacht waarneembaar is.
Als laatste is tastzin ook een manier voor katten om voorwerpen in hun omgeving waar te nemen. Op verschillende plaatsen hebben
katten tastharen; snorharen op de wangen, maar ook tastharen boven de ogen en achter op de voorbenen. Deze haren zijn extra gevoelig en
kunnen extra informatie geven over een prooi of vorm van een voorwerp.

Biologische achtergrond van normaal kattengedrag
(auteur: D.van der Putte)
‘Waarom gedraagt mijn kat zich zo?’ is een veel gestelde vraag. Vaak geven we zelf een verklaring voor het gedrag. Bijvoorbeeld:
mijn kat is boos en daarom blaast hij naar me. Biologisch gezien ontstaat gedrag op een heel andere manier.
Een kat krijgt net als mensen op elk moment allerlei prikkels van de buitenwereld binnen. Bijvoorbeeld licht, geluid en geuren. Voor
sommige prikkels zijn katten veel gevoeliger dan de mens, bijvoorbeeld voor bepaalde geuren of voor hoge geluiden. Al deze prikkels van
buiten worden opgevangen door de zintuigen van een kat. Vervolgens worden ze gecombineerd met hoe de kat zich op dat moment voelt. Door
die combinatie ontstaat een bepaald gedrag. Als de kat bijvoorbeeld honger heeft, of het is etenstijd, dan zal de kat willen eten als
hij de geur van eten ruikt.
Er zijn een heleboel vormen van gedrag die katten van nature vertonen. Al deze vormen van gedrag zijn onderverdeeld in zogenaamde
gedragssystemen zoals eten, voortplanting, agressie, slaap, zelfverzorging, angst en onderzoekend gedrag.
Vanuit hun biologie hebben katten verschillende soorten van gedrag die bij deze gedragssystemen horen. Dit gedrag kan bij katten
anders zijn dan bij andere dieren. Zo zal een kat bij angst zijn haren overeind zetten en een keuze moeten maken om te vluchten of juist
te vechten, terwijl een angstige kip zich tegen de grond drukt en zich doodstil houdt.
Er is ook een verschil tussen dit instinctieve gedrag en aangeleerd gedrag. Vluchten als een kat iets angstig meemaakt is instinctief
gedrag: dat heeft de kat niet aangeleerd, maar doet hij van nature al. Aangeleerd gedrag is bijvoorbeeld dat de kat aan komt rennen als
het kastje open gaat waar zijn voer staat. Dit gedrag heeft niets te maken met instinct. Je kat heeft gewoonweg geleerd dat als dat
kastje open gaat hij vaak eten krijgt. Katten leren erg gemakkelijk. Dit kan leiden tot gedragsproblemen, bijvoorbeeld onzindelijkheid
of agressie, maar je kunt er ook handig gebruik van maken. Zo kan je een kat leren dat hij naar binnen moet komen als je met brokjes
rammelt. Ook clickertraining (een manier om gedrag te belonen met een zogenaamde ‘clicker’) om nieuw gedrag aan te leren blijkt bij
katten heel effectief te zijn.