Wetgeving

Wetgeving en katten, het zijn twee begrippen die u niet snel met elkaar in verband zult brengen. Toch heeft ook een kattenbezitter met de wet van doen. Misschien wel het meest bekende voorbeeld van wetgeving met betrekking tot dieren is de risicoaansprakelijkheid.

Risicoaansprakelijkheid wil zeggen dat iemand in de hoedanigheid van bezitter van een dier aansprakelijk is voor de schade als gevolg van het gedrag van dat dier. Zelfs als de bezitter er niets aan kon doen of alles heeft geprobeerd om de schade te voorkomen, zal deze in de meeste gevallen nog aansprakelijk zijn.

De bovengenoemde aansprakelijkheid ligt verankerd in artikel 179 van boek 6 van ons burgerlijk wetboek. De bezitter van een dier is aansprakelijk voor de door het dier aangerichte schade, tenzij de schade op grond van de vorige afdeling (onrechtmatige daad) zou hebben ontbroken indien hij de gedraging van het dier waardoor de schade werd toegebracht, in zijn macht zou hebben gehad.

In de gezondheids- en welzijnswet voor dieren liggen daarnaast wat meer algemene normen voor huisdierbezitters verankerd. Zo mag men een dier geen onnodig letsel veroorzaken, niet de nodige verzorging onthouden en is een ieder volgens de wet zelfs verplicht hulpbehoevende dieren de nodige zorg te verlenen.

Naast deze wat meer algemene regels kennen we ook specifiekere regels. Een voorbeeld van deze specifiekere regels is het besluit “scheiden van dieren van het ouderdier”, waarin is vastgelegd dat kittens pas vanaf 7 weken van hun moeder gescheiden mogen worden. Nog specifieker is het honden en kattenbesluit 1999 wat zich richt op personen die een bedrijfsmatige activiteit hebben ontplooid die te maken heeft met het fokken, afleveren, in bewaring nemen, houden en of verkopen van katten.

Niet specifiek voor katten, maar wel belangrijk is de regeling betreffende de (consumenten)koop in het burgerlijk wetboek. De meeste katten komen immers niet aangelopen, maar worden gekocht bij een particulier, een asiel/opvang of een fokker.