Marterachtigen (Mustelidae) en Stinkdieren (Mephitidae)

foto’s volgen

De familie van de Marterachtigen omvat 22 geslachten en 59 soorten, de stinkdieren omvatten 4 geslachten en 12 soorten. De stinkdieren werden vroeger tot de marterachtigen gerekend, maar vormen tegenwoordig een eigen familie. De familie van de marterachtigen wordt tegenwoordig verdeeld in twee onderfamilies:  Otterachtigen (Lutrinae) met 7 geslachten en 13 soorten en Wezelachtigen (Mustelinae) met 15 geslachten en 46 soorten.

De soorten van de families hebben zich op diverse manieren aangepast aan het leven in het water, op de bodem of in bomen. Het zijn over het algemeen zeer bewegelijke, goed klimmende of springende roofdieren; velen zijn actief bij schemering of ’s nachts.

Huisvesting
Voor het houden van marterachtigen en stinkdieren zijn buitenverblijven voldoende.

Leefruimte
Buitenverblijven:

Otterachtigen

Dwergotters:  Tenminste 20 m² land alsmede 10 m² waterbassin (0,5 m diep = 5 m³) per paar; voor elk volgend volwassen dier 2 m² land en 1 m² waterbassin extra.

Middelgrote Ottersoorten: Tenminste 25 m² land alsmede 15 m² waterbassin van 1 m diep (= 15 m³) per dier; bij verdraagzame dieren voor elk volgend volwassen dier 15 m² land extra en 10 m²  (=10 m³) waterbassin extra. Gemeenschappelijke verblijven voor verdraagzame dieren waar niet mee gefokt wordt zijn mogelijk. Ook verdraagzame fokparen en families kunnen gezamenlijk gehouden worden, mits er een extra verblijf kan worden afgescheiden voor de opgroeiende jongen, dat aan de minimumeisen voldoet. Anders verblijven voor elk dier apart, die wel onderling verbonden kunnen worden.

Reuzenotter (Pteronura brasiliensis)en Zeeotters (Enhydra lutris): Tenminste 80 m² land alsmede 1 waterbassin van 60 m² en 60 m³ per paar; voor elk volgend volwassen dier 10% van het landoppervlak en van het watervolume extra.

Wezelachtigen en Stinkdieren

Wezel (Mustela nivalis): Tenminste 3 m² en 2 m hoogte per dier – verblijven voor elk dier apart, die wel onderling verbonden kunnen worden.

Hermelijn (Mustela erminea): Tenminste 5 m² en 2 m hoogte per dier – verblijven voor elk dier apart, die wel onderling verbonden kunnen worden.

Bunzingen (Mustela putorius, M.eversmanni, M.nigripes), Nertsen (Mustela ltreola, Neovison vison) grotere wezels (andere Mustela soorten) behalve fretten (Mustela putorius f.furio):  Tenminste 8 m² en 2,5 m hoogte per dier– verblijven voor elk dier apart, die wel onderling verbonden kunnen worden. Voor nertsen 20 – 25 % van de oppervlakte als waterbassin; ook voor bunzingen en vismarters (Mustela pennanti) zijn dergelijke waterbassins wenselijk.

Fretten: Tenminste 2 m² en 1,5 m hoogte voor 2 dieren; voor elk volgend volwassen dier 1 m² van 1,5 hoogte extra.

Marters (Martes) behalve Maleise Bonte marter (Martes flavigula) : Tenminste 20 m² en 60 m³ per dier – verblijven voor elk dier apart, die wel onderling verbonden kunnen worden.
m>

Maleise Bonte marter: Tenminste 30 m² en 90 m³ per dier – verblijven voor elk dier apart, die wel onderling verbonden kunnen worden.

Tayra (Eira barbara): Tenminste 30 m² en 90 m³ voor 1 paar; voor elk volgend volwassen dier 8 m² en 24 m³ extra;

Grisons (Galictis), Stinkdieren (Mephitidae):  Tenminste 25 m² per paar; voor elk volgend volwassen dier 3 m² extra.

Dassen (Meles, Arctonyx, Taxidea taxus), Melogale (Melogale), Honingdas (Mellivora capensis): Tenminste 25 m² per dier; gezamenlijke verblijven alleen voor 1 paar of voor verdraagzame dieren waarmee niet gefokt wordt; anders verblijven voor elk dier apart, die wel onderling verbonden kunnen worden.

Veelvraat (Gulo gulo):  Tenminste 100 m² per dier – verblijven voor elk dier apart, die wel onderling verbonden kunnen worden. Bij verblijven met een natuurlijke bodem moeten de afmetingen verdubbeld worden.

Binnenverblijven
Otterachtigen
Dwergotter: Tenminste 6 m² per paar; voor elk volgend dier 2 m² extra.

Middelgrote ottersoorten: afmetingen als buitenverblijf, voor tropische soorten vereist.

Reuzenotter (Pteronura brasiliensis) en Zeeotter (Enhydra lutris):  Tenminste 40 m² land alsmede 1 waterbassin van 30 m² en 30 m³ per paar, voor elk volgend volwassen dier 10% van de oppervlaktes en watervolumes extra.

Wezelachtigen en Stinkdieren: –-

Inrichting
Voor alle otterachtigen is een natuurlijke bodem of zand in tenminste een deel van het verblijf vereist, voor de andere soorten een natuurlijke bodem of een geschikt strooisel. Bij gravende soorten moet ervoor gezorgd worden dat ze niet bedolven worden. Om te slapen en in het bijzonder voor het grootbrengen van jongen moeten er minstens 2 holen of slaapboxen per dier beschikbaar zijn, waarvan de ingangen in verschillende richtingen wijzen. Voor reuzenotters zijn boxen met slaapkisten vereist, voor de overige otterachtigen en in het water levende wezelachtigen boxen met een voorruimte en een  slaapverblijf. Nog beter zijn driekamerverblijven, die door tunnels te bereiken zijn vanuit het land en eventueel ook vanuit het waterbassin in het verblijf. Dassen hebben ook onderkomens met meerdere ruimtes nodig, bereikbaar door tunnels. Waar tunnels aanwezig zijn, moeten deze indien nodig afgedekt kunnen worden.

Inrichting van het verblijf met klimtakken, holle boomstammen, boomwortels, strobalen (beschut tegen regen), stenen, rotsen, schuilplekken voor regen en zon en verhoogde ligplaatsen is noodzakelijk. Natuurlijke vegetatie of kunstmatige aanplant in een deel van het verblijf wordt aanbevolen, evenals pijpen om zich te verstoppen. Wezels en hermelijnen moeten uitgebreide gangensystemen aangeboden worden.

Zeeotters hebben zout water nodig. Waterbassins dienen langgerekt te zijn en vooral aan de oevers goed gestructureerd zijn en verder moeten er ondieptes zijn. Euraziatische en Noord-Amerikaanse dassen hebben voor hun winterslaap donkere en geluiddichte ruimtes nodig.

Afrastering
Voor de soorten die goed kunnen klimmen zijn verblijven nodig die aan alle kanten gesloten zijn. Voor de anderen (zoals dassen, Honingdassen, Otters, stinkdieren) zijn gladde wanden voldoende, of hekken waar niet overheen geklommen kan worden of greppels of sloten. Vooral bij dassen moet gezorgd worden, dat er niet onder de afrastering door gegraven kan worden. Aangezien sommige soorten 6 meter ver kunnen springen, moeten klimbomen ver genoeg van de afrastering af staan. (bv. Aziatische bonte marter)

Klimaat
Alleen winterharde soorten kunnen het gehele jaar buiten gehouden worden, mits er weerbestendige slaapboxen met stro ter beschikking staan.  Tayras hebben verwarmde schuilhutten nodig, wanneer ze het gehele jaar buiten gehouden worden. Sommige soorten die meer behoefte aan warmte hebben, kunnen overwinteren in buitenverblijven, maar hebben in de winter verwarmde binnenboxen nodig en eventueel ook verwarmde waterbassins. Slaapboxen voor dassen die buiten overwinteren, moeten goed geïsoleerd en vorstvrij zijn, zodat het verlies aan lichaamswarmte minimaal is.

Eisen aan het houden van Marterachtigen en Stinkdieren

Sociaal gedrag/socialisatie:  In de vrije natuur leven de meeste soorten solitair. Bijna alle soorten kunnen echter als paar gehouden worden. Dat is zelfs na te streven, omdat de dieren zich dan met elkaar bezig kunnen houden. Honingdassen, dassen, stinkdieren en enkele otterachtigen kunnen in familiegroepen gehouden worden.
Veel marterachtigen kunnen met andere soorten gesocialiseerd worden, die niet tot hun prooidieren behoren, zoals bijvoorbeeld das met  vos, veelvraat met bruine beer, dwergotter met orang-oetan, gibbon en verschillende andere primaten of met Indische neushoorn, muntjak en andere hoefdieren. Afhankelijk van de combinatie van soorten kan het nodig zijn om mogelijkheden te bieden, waar de dieren zich kunnen terugtrekken.

Verrijking van de leefomgeving:  Vooral bij dieren die alleen gehouden worden, is het heel belangrijk dat er bezigheden voor hen worden aangeboden. Wanneer fretten in verblijven van de juiste afmetingen gehouden worden, moeten zij regelmatig bezigheden en extra beweging aangeboden krijgen. Bij alle soorten zijn geurprikkels ter verrijking van de leefomgeving bijzonder belangrijk. Bovendien moeten ter verrijking verschillende manieren  van voer aanbieden gebruikt worden, bijvoorbeeld voer in kartonnen kokers verstoppen en met hooi, gras of houtwol omwinden, of takken waar voer op vastgemaakt is ophangen, gezaaid gras, voor veelvraten in de zomer ijsklonten, voor dassen met aarde gevulde kisten waarin insectenlarven verstopt zitten of in gedroogde leemballen verstopt voer. Wisselende voorwerpen om op te klimmen, te spelen en te  verstoppen, zoals bijvoorbeeld gevlochten rieten manden, met hooi of houtwol gevulde juten zakken, houten ballen, takken of hard plastic speelgoed dat qua grootte geschikt is voor de betreffende soort.

Voeding
Als voeren dienen hele prooidieren, die qua grootte passen bij de betreffende soort, vlees met toegevoegde vitaminen en mineralen, vis, fruit, groentes.  Ook lusten alle soorten graag eieren. Aan de kleinere soorten zoals de wezel, bunzing of hermelijn kunnen ook (trek-)sprinkhanen gegeven worden. Voor otters worden schelp- en schaaldieren aanbevolen.  Er moet liever te veel dan te weinig voer worden aangeboden, vooral bij wezels en hermelijnen. Vooral de kleinere soorten en otters moeten tenminste 2 x per dag voer krijgen.

Verzorging
Mens-dier-interacties: Vangen van de meeste soorten met een net of met de hand (lederen handschoen!). Transporteer de dieren ieder apart in een stevige houten kist, die helemaal dicht is afgezien van enkele luchtgaten. Voor veelvraat en das moet de kist met blik bekleed zijn, voor de otter moet de kist goed belucht zijn (liefst een stevige kooi in een grotere houten kist ingebouwd).

Om het vangen en behandelen door de dierenarts eenvoudiger te maken, is het aan te bevelen om de slaapboxen van een schuif te voorzien. Bovendien moet er onder het deksel of onder de schuif een gaaswand zitten, zodat het mogelijk is om het dier een  1njectie te geven, zonder dat het in de hand genomen moet worden. Dit is vooral bij stinkdieren erg belangrijk, omdat deze bij pogingen om ze te vangen een stinkende vloeistof uit hun anaalklieren 1,5 meter ver kunnen spuiten.

Instructies voor de dierenarts:  Vergroting van het bijnierschors komt zeer regelmatig voor en kan storingen in de elektrolytenhuishouding veroorzaken en tot de vorming van nierstenen leiden. Het verwijderen van de anaalklieren bij stinkdieren is alleen toegestaan bij medische indicatie.