Spleet- of pannenkoekschildpad Malacochersus tornieri

Malacochersus tornieri vrouwtje (foto Henk Zwartepoorte)
Malacochersus tornieri vrouwtje (foto Henk Zwartepoorte)

I.Toepassingsgebied
Deze gids goede praktijken is van toepassing op de Spleet- of
pannenkoekschildpad Malacochersus tornieri.
Na 1977, bij het in werking treden van de Wet Bescherming Uitheemse planten en
dieren, is voor de landen behorend tot de Europese Unie een importverbod van
kracht geworden en een exportverbod vanuit de landen van herkomst. Volwassen
dieren kunnen zo’n 18 cm groot worden en 0,4 kg zwaar.
Deze soort is ondergebracht in CITES bijlage I en in de Europese regelgeving
bijlage A. Dit betekent dat deze dieren niet mogen worden geïmporteerd of
geëxporteerd uit de landen van herkomst. Dieren verkregen uit nakweek van de
tweede generatie (F2) en verder mogen wel worden overgedragen tussen
houders, mits aan de wettelijke eisen wordt voldaan. Voor het houden van dieren
afkomstig uit wildvang of eerste generatie nakweek (F1) – dit zijn in het algemeen
dieren die zijn geïmporteerd voor 1977 of de eerste generatie nakweek daarvan –
moet de houder beschikken over een bezitsontheffing. De houder moet bij
overdracht van dieren voldoen aan de wettelijke voorschriften terzake. Zo dient
o.a. voorafgaande aan de overdracht een EG-certificaat te worden aangevraagd
bij de Dienst Regelingen van het ministerie van economische zaken.
Deze soort bereikt een maximale schildlengte tot ca. 18 centimeter. De naam is te
danken aan het platte rugschild, waardoor de schildpad een wat ‘geplet’ uiterlijk
heeft: tussen het buik- en rugschild ontstaat een ‘spleet’ waar de kop en poten van
het dier uit steken. Het platte schild heeft een overwegend bruine kleur, en iedere
grote hoornplaat op de rug heeft een meestal geelbruine sterachtige tekening, die
echter wel variaties kent. De stevige klauwen worden gebruikt om holen te graven
onder stenen om zich te verbergen. De spleetschildpad komt voor in delen van
Kenia, Tanzania en Zambia. In deze landen hebben de populaties dieren te lijden
onder habitatverlies vooral door menselijke activiteiten. Het is een zeer goed
klimmer die op rotsige hellingen leeft. De habitat bestaat uit droge steppeachtige
gebieden met een heuvellandschap met grassen als vegetatie en een rotsige
bodem. In al te droge tijden houdt de schildpad een zomerrust in spleten of onder
stenen om weer tevoorschijn te komen bij vochtiger omstandigheden. Als de
schildpad verstoord wordt, kruipt het dier in een rotsspleet en zet zich vast
waardoor een predator er niet meer bij kan. Vroeger werd gedacht dat het dier
zich, net zoals ook veel padden en sommige hagedissen doen, vol kon blazen met
lucht, maar het blijkt dat ze het schild iets kunnen draaien, wat ongeveer hetzelfde
effect geeft. Het schild is daarnaast vrij zacht en flexibel zodat het goed tegen het
oppervlak kan worden gedrukt en veel weerstand geeft.
Bij goede verzorging kunnen spleetschildpadden voor zover nu bekend zeker 30
jaar oud worden.
Volwassen mannetjes herkent men aan de langere staart dan bij wijfjes en aan het
iets holle buikschild. Mannetjes blijven wat kleiner dan vrouwtjes.

II. Voeding
Landschildpadden zijn herbivoren (planteneters), die een variatie aan voedsel
aangeboden moeten krijgen. Door gevarieerde voeding kunnen tekorten in
vitaminen en mineralen in veel gevallen voorkomen worden. Grassen, zowel
groene als verdorde planten worden gegeten en ook vetplanten staan op het
menu. Verder kruiden zoals paardebloem, klaver, weegbree, akkerwinde,
bramenblad, muurpeper, dovenetel, vogelmuur, melkdistel, niet te natte groenten
zoals geraspte wortel, andijvie, witlof en kool, in het algemeen vezelrijke planten
en in zeer beperkte mate fruit, weinig proteïnen. Verder hooi en stro en
bevochtigde brokken geperst hooi (bijv. Heucobs).
Kalk, van groot belang voor de groei en onderhoud van het schild en het skelet,
kan gemakkelijk worden gegeven door de dieren altijd de beschikking te geven
over gekookte schalen van kippeneieren of sepiaschelpen. Variatie is van groot
belang. Vitaminen, mineralen en kalksupplementen dienen altijd aan het voedsel
te worden toegevoegd.
Het in oudere publicaties soms aangeraden voederen van kattenbrokken wordt
sterk ontraden. Schildpadden zijn hier wel gek op maar deze voeding veroorzaakt
ernstige problemen aan lever en nieren en zorgt voor een onnatuurlijke snelle
groei die een gezonde ontwikkeling van het schild verhindert en met name in het
vroege groeistadium tot afwijkingen leidt. Vers drinkwater dient altijd beschikbaar
te zijn.

III. Huisvesting
Gezien het klimaat in West-Europa en dat van de natuurlijke habitat van deze
soort, kan deze alleen in een binnenterrarium worden gehouden. Dit terrarium
moet tegemoet komen aan het natuurlijke leefgebied: aarde en zand en
rotsspleten, waarin de dieren zich kunnen terugtrekken. Er moet voldoende
gelegenheid zijn tot klimmen en bewegen. Voor een groep spleetschildpadden van
een mannetje en enige vrouwtjes moet worden gedacht aan een terrarium met een
grondoppervlakte van ca. 150 bij 60 cm. Voor vrouwtjes moeten er plekken zijn
met een diepte van de lengte van het rugschild van het dier met het oog op het
kunnen leggen van eieren. Deze plekken moeten een licht vochtig grond- en
zandmengsel bevatten.
Verder is het van belang het leefklimaat van het dier te beheersen. Denk hierbij
aan het geven van de mogelijkheid aan het dier om een plek met een optimale
temperatuur (rond de 40°C ) te zoeken of zich in te graven op een doorgaans
koelere plek. In het terrarium mogen plekken zijn met temperaturen van 25-30°C.
Bij veel soorten wordt de voortplanting gestimuleerd door het nabootsen van een
seizoenscyclus. In het natuurlijke leefgebied is er een lichtcyclus van ca. 12 uur
daglicht en ca. 12 uur nacht. Die seizoenscyclus kan worden bereikt door het
tijdelijk de lamp(en) in het terrarium een half uur korter of langer te laten branden.
Verdiep je in het klimaat van het natuurlijke leefgebied en boots dit na.

IV. Gezondheid
Een terrarium moet regelmatig worden onderhouden en het moet goed te reinigen
zijn. Water moet dagelijks ververst worden. Verder één keer per half jaar de
bodembedekking vervangen van het terrarium binnenshuis en dit goed reinigen
(één keer per zes maanden ontsmetten met desinfectans). Reptielen hebben over
het algemeen geen snelle stofwisseling. Hierdoor kan het lang duren voordat men
ziet dat het dier lijdt aan een ziekte. Voordat dieren over genomen worden is het
dus zaak kennis te nemen van de meest voorkomende ziektes en die te kunnen
herkennen. Zet altijd alle nieuw verworven dieren minimaal 2 maanden in
quarantaine voordat ze bij andere dieren worden geplaatst.
Gezondheidsproblemen die kunnen optreden bij de schildpadden:
• Verwondingen die ontstaan door: slijtage, beschadiging, verbranding,
agressie, beten van andere dieren, eten van vreemde voorwerpen.
• Ziekten door huisvestingsproblemen zoals overbevolking; slecht water;
verkeerde temperatuur; gebrek aan ventilatie.
• Stressverschijnselen die ze krijgen door het gedrag van andere
schildpadden door verkeerde geslachtsverhoudingen in de groep of
dominante mannetjes.
• Kalk- en of vitaminegebrek door verkeerde of eenzijdige voeding.
• Parasieten, in- en uitwendig; geregelde controle van de uitwerpselen is
raadzaam.
Bij gezondheidsproblemen is het raadzaam tijdig een met reptielen vertrouwde
dierenarts te raadplegen.
Jonge dieren die in een terrarium verblijven, moeten beschikken over een vochtige
laag substraat (aarde, zand, bladeren) waarin zij zich kunnen terugtrekken. Een
vochtige laag voorkomt bultvorming op het rugschild, die met name optreedt in het
vroege groeistadium.

V. Soortspecifiek gedrag
Voor de kweek is het van belang dat de dieren in een kleine groep van minimaal
één man met enkele vrouwen worden gehouden met de beschikking over een
goed en ruim terrarium. Meer mannetjes in het zelfde verblijf leidt tot gevechten die
tot de dood van de dieren kan leiden. Het kan nodig zijn om mannetjes afzonderlijk
te huisvesten om stress bij de vrouwtjes door voortdurende drift tot paring bij de
mannetjes te voorkomen.
Vrouwtjes leggen doorgaans één ei per keer en kunnen dat tot zes keer per
legseizoen doen.
De eieren moeten worden uitgegraven en ondergebracht in een broedmachine. De
broedduur kan variëren tussen de 100 en 160 dagen. De broedtemperatuur is
daarop van invloed.
Het opkweken van de jongen is probleemloos; voedsel is het zelfde als voor de
ouders, doch klein gesneden.
De dieren zijn goede klimmers en leven, zoals in de natuur, grote delen van de
dag in rotsspleten. De dagelijkse actieve periode is zeer beperkt; soms slechts een
half uur. Zaak is een goede rots- of steenplatenformatie in het terrarium te bouwen
die zondanig stabiel en verankerd is dat de dieren die niet kunnen verplaatsen en
beklemd kunnen raken.

VI. Verdere informatie:
Bonin F., Devaux, B. en A. Dupré A. 1996,Toutes les Tortues du Monde
Bonin F., Devaux, B. en A. Dupré A. 2007, Enzyklopädie der Schildkröten
Highfield A.C.,1990, Keeping and Breeding Tortoises in captivity
Rogner, M. 2012. Die Spaltenschildkröte Malacochersus tornieri (serie Art für Art).
Münster, Natur und Tierverlag
Vetter, H. 2002. Schildkröten der Welt Band 1. Frankfurt am Main, Chimaira
Diverse artikelen in De Schildpad en Trionyx, Nederlands-Belgische Schildpadden
Vereniging

Websites:
http://www.huisdieren.nu
http://www.trionyx.nl
http://www.studbooks.org
http://www.schildkroeten-farm.de
http://www.villa-testudo.de

bron Jan Boonstra/NBSV en Henk Zwartepoorte/ESF.

Houderij Richtlijnen