Manengans / Chenonetta jubata

Manenganzen (J.Harteman, Aviornis)
Manenganzen (J.Harteman, Aviornis)

Herkomst
Australië, vooral Oost en West, behalve de droge streken. Zwervers in Nieuw-Zeeland, Tasmanië en Queensland.

Biotoop / habitat
Manenganzen hebben een voorkeur voor een open landschap met verspreid staande bomen, met daaronder gras. En ook voor in cultuur gebrachte landbouwgebieden. Ze houden niet van dichte bebossing. Leven nabij zoete wateren, zoals kreken, ondiepe moerassen, rivierpoelen en zelfs vijvers in stadsparken. Na het broedseizoen vooral te vinden op grotere open meren en waterdammen, maar altijd in de buurt van gras.

Status
Ondanks het feit dat Manenganzen in hun oorspronkelijk leefgebied bejaagd worden, vanwege de schade die zij toebrengen aan gewassen, neemt hun aantal in Zuid-West Australië toe en worden als niet bedreigd beschouwd.

Maximale lengte
45 – 55 cm.

Gewicht
mannetje +/- 815 gr., vrouwtje +/- 800 gr.

Levensverwachting
In beschermde omgeving: zo’n 15 jaar.

Type huisvesting
Geschikt voor: zowel kleinere vijvers, als voor groter gemeenschappelijk perk met groot grasterrein, waar meerdere paartjes gehuisvest kunnen worden. Manenganzen grazen veel en vertoeven veel meer op het land dan in het water.

Voedsel
Meest gebruikte voedingsmiddelen in de praktijk bv. 70% totaalvoeder korrel voor Watervogels, 20% gras/groente, 10% granen:
Groeiend dier: 0-2 maanden: Opfokkorrel of kruimel
2–4 maanden: Opfokkorrel
volwassen dier: Totaalvoeder onderhouds- of basis korrel
broedtijd: Totaalvoeder foktoomkorrel
Opfokvoer met eiwitgehalte lager dan 18% om hangvleugels te voorkomen!
Voedsel afgeschermd aanbieden. Regelmatig groenvoer ter beschikking stellen.
Altijd vers zwemwater beschikbaar, dat ook als drinkwater wordt gebruikt.

Beschrijving
Hoewel de naam Manengans doet vermoeden dat het om een kleine ganzensoort gaat, vinden wetenschappers dat Manenganzen geen ganzen maar eenden zijn. De Manengans heeft enerzijds zijn naam te danken aan de fijne, verlengde kruin en nekveren bij vooral het mannetje, die aan manen doen denken. Anderzijds heeft de benaming Manengans, te maken met zijn korte sterke snavel, daarbij graag en veel gras eet en daardoor qua uiterlijk en gedrag op een kleine gans lijkt.
Het mannetje heeft een donker chocolade bruine kop en hals, korte bruinzwarte manen in de nek en donkerbruine ogen. De snavel is donkergrijs tot grijszwart. De borst is grijs, bruinzwart en wit gevlekt. De flanken zijn lichtgrijs. De vleugels zijn grijs en naar buiten toe zwart. De rug en stuit zijn zwartachtig. Er lopen twee zwarte banden over de volledige lengte van de rug. De poten zijn grijsbruin tot zwartgrijs.
Tijdens de ruiperiode in de zomer treedt er wat verkleuring op, maar van een eclipskleed is geen sprake.
Het vrouwtje heeft een melk chocolade bruine kop en hals, nauwelijks manen, een wittige wenkbrauw streep, bruine ogen, een donkere oogstreep en een wittige streep onder de ogen. De snavel is roze bruin. De borst en het grootste deel van de flanken zijn bruin, vaal geel en witgrijs gevlekt. Onderbuik en onderlijf zijn wit. Ook bij het vrouwtje lopen er twee zwarte banden over de volledige lengte van de rug. De poten zijn bruingrijs tot donkergrijs getint.

Manengans - man (J.Harteman, Aviornis)
Manengans – man (J.Harteman, Aviornis)

Opmerkingen
Manenganzen zijn redelijk sterk en vrij winterhard, wanneer het vijverwater s’winters ijsvrij wordt gehouden met ondiepe staanplaatsen en met beschutting op het land. Ze zijn gemakkelijk te houden en komen dus in aardig wat collecties voor. Het uitbroeden van de eieren en het opfokken van de kuikens is vrij gemakkelijk, ook voor beginnende liefhebbers.
Manengansjes zijn vaak wat schuw, achterdochtig en moeilijk te benaderen, maar kunnen in beschermd milieu toch redelijk tam worden, hetgeen ook in hun oorspronkelijk gebied in de stadsparken gebeurt. Manengansjes verplaatsen zich moeiteloos op het land en kunnen zeer snel lopen met kleine trippel pasjes, waarbij zij met de kop knikken. Het stemgeluid is bijzonder en klinkt als een hees, nasaal en zacht klagend katachtig “miauw”.
Zij worden gerekend tot de zgn. roestende eenden en aanverwanten.

Aanbevelingen kweek
Monogame paarvorming met stevige en langdurige band.
Broeden doorgaans op tweejarige leeftijd.
Zowel holen- als grondbroeders, niet te ver van de vijver.
Legsel: 7 – 12 eieren, roomwit of crème van kleur.
Broedduur: 28 – 30 dagen, alleen het vrouwtje broedt.
De kuikens zijn vrij gemakkelijk groot te brengen.
Ringmaat: 12 mm.

Ondersoorten / varianten
Geen ondersoorten. Geen mutanten.

Literatuur / websites
Watervogels houden…’t is een hobby!, 2003 – Liliane De Boeck-Pauchet
Aviornis International Tijdschrift, oktober 2004 – Liliane De Boeck-Pauchet
Handbook of the birds of the World, vol. 1 Ostrich to Ducks, 1992 – del Hoyo et al.
Die Entenvogel der Welt, 1999 – Hartmut Kolbe

Wetgeving
In Nederland geen beperkende wetgeving.

Bron
www.aviornis.nl