Noorse Boskat

(foto Nanda Alstede-Schols)

(foto Nanda Alstede-Schols)

Algemeen

De Noorse Boskat, ook wel Norsk Skogkatt, genoemd, is vriendelijk, intelligent, rustig en erg speels. Het is een tolerante kat, die goed overweg kan met andere dieren. Daarnaast voelt hij zich ook prima thuis in een druk huishouden met kinderen. Alhoewel de Noorse Boskat graag in de buurt van mensen verblijft, is hij geen schootkat. Het liefst is dit ras buiten, dus de Noorse Boskat hoort niet thuis op een flat. De kat bezit een onafhankelijk karakter en neigt tot zwerven. Het is een goede klimmer en een uitstekende jager. Volgens sommige bronnen zouden Noorse Boskatten zelfs kunnen vissen.

(foto Nanda Alstede-Schols)

(foto Nanda Alstede-Schols)

Uiterlijk

De Noorse Boskat is een grote, stevige kat met een hoekige bouw en iets langere achter- dan voorpoten. Daarnaast zijn de poten van de Noorse Boskat sterk ontwikkeld om goed te kunnen klimmen en springen. De kop is driehoekig met ver uit elkaar staande oren en grote amandelvormig ogen. De kleur loopt uiteen van groen tot goud. Witte katten kunnen blauwe of ongelijk (odd-eyed) gekleurde ogen hebben. Tussen de tenen zitten lange haarpluimpjes, net als in de oren. Dit is ter bescherming tegen sneeuw en kou. De Noorse Boskat heeft net als de Maine Coon een volle kraag en een pluimstaart. In de zomer heeft hij beduidend minder haar, doordat de kat veel van zijn haar verliest in het voorjaar. De vacht van de Noorse Boskat heeft een wollige ondervacht en een stugge vetachtige bovenvacht. Hiermee is de kat goed bestand tegen koude en natte winters. De Noorse Boskatten zijn er in bijna alle kleuren. De populairste kleurslag in Noorwegen is zwart met wit, maar andere bi-colour*-variëteiten zoals rood met wit en tabby*-patronen worden inmiddels op grote schaal erkend. Alleen chocolate*, cinnamon*, fawn*, lilac* en de colourpoints* zijn niet erkend.

*Colourpoints: ook wel Himalayapatroon genoemd, waarbij de poten, oren, staart en snuit (en genitaliën) donkerder van kleur zijn dan de rest van het lichaam. Ze worden ook wel genoemd naar de kleur van de donkere vachtkleur zoals seal points (seal is de benaming voor donker bruin bij oosterse rassen).
*Bi-Colour: elke kleur die toegestaan is bij dat ras en wit.
*Chocolate, lilac, cinnamon en fawn: dit zijn kleuren die bij oosterse rassen voorkomen. Chocolate is een bruine variant, net als lilac (een verdunning van/lichtere kleur chocolate), cinnamon is een lichtbruine kleur en met fawn wordt een wat fellere crème kleur bedoeld. De kleur crème zelf is een verdunning van rood. Veel kleuren hebben verschillende namen (dit verschilt meestal per ras of soorten rassen, daarnaast bestaan er veel varianten binnen een kleur).
*Tabby: zo wordt het patroon genoemd van donkere en lichtere kleuren op de vacht. Er zijn verschillende varianten zoals gestreept, gevlekt en gemarmerd. Ook wel cypers genoemd. Al deze patronen hebben weer een andere naam.

(foto noorseboskattenkring)

(foto noorseboskattenkring)

 

Gewicht
Maximaal acht kilo. De poezen zijn kleiner dan de katers.

Speciale verzorgingseisen
De Noorse Boskat heeft buiten de ruiperiode in de lente weinig vachtverzorging nodig. In de ruiperiode moet de kat dagelijks geborsteld worden. Daarna kan volstaan worden met één of twee keer per week kammen met een zijdeharen borstel. De vacht moet namelijk wat stug en vetachtig zijn. Wassen van de Noorse Boskat is niet nodig en wordt ten sterkste afgeraden, omdat de vacht hierdoor juist verpest wordt, in plaats van verbeterd zoals bij de Perzische Langhaar. Door het wassen wordt de vacht zachter en verdwijnt de vetlaag die de kat juist tegen regen en kou beschermt. Een ander nadeel van het wassen van de vacht is dat deze hierdoor juist eerder vuil wordt dan normaal. Door de vetachtige laag wordt de vacht daar juist tegen beschermd.

Oorsprong

Over de oorsprong van de Noorse Boskat is weinig bekend. Diverse verhalen doen de ronde over het ontstaan van de Noorse Boskat. Zo zou hij voortgekomen zijn uit de Turkse Angora. Ook de Siberische kat en de wilde Schotse katten worden als mogelijke voorouder genoemd. Andere theorieën zeggen dat de Vikingen vanaf de achtste eeuw de katten meegenomen zouden hebben uit Klein-Azië. Weer anderen zeggen dat het ras is ontstaan via natuurlijke mutatie. Om beter beschermd te zijn tegen de koude en natte winters zouden de boerenkatten een langere en warmere vacht hebben ontwikkeld. Welk verhaal ook waar is, één ding is zeker: de Noorse Boskat bestaat al heel lang en de ontwikkeling ervan liep waarschijnlijk parallel aan die van andere langharige rassen elders.
In Noorwegen zelf bestaat het ras al zeker zo’n vijfhonderd jaar. Bij het grote publiek is hij echter lange tijd onbekend gebleven. In 1912 werd de eerste Noorse Boskat tentoongesteld. Door de Tweede Wereldoorlog duurde het echter nog tot de jaren zeventig voordat de Noorse Boskat echt in populariteit toenam. Tot die tijd kwam de Noorse Boskat vooral veel op boerderijen voor als muizenjager. In 1975 werd de Noorse Boskattenkring opgericht om het ras buiten Noorwegen te promoten.

noorseboskat3

(foto noorseboskattenkring)

 

 

 

Opmerkingen

Het kan vijf jaar duren voordat de Noorse Boskat volledig uitgegroeid is. Aangezien de katers meer vechten dan de poezen, hebben zij een dikkere vacht. De vacht zorgt namelijk niet alleen voor warmte, maar beschermt de kat ook tegen verwondingen van andere soortgenoten.

Erfelijke ziektes/ afwijkingen

De oogaandoening PRA komt ook sporadisch voor bij de Noorse Boskat. Behalve de zeldzame maar dodelijke stofwisselingsziekte Glycogen Storage Disease (GSD IV) heeft de Noorse Boskat weinig last van Erfelijke ziektes/ afwijkingen.

GSD IV is een ziekte die onder katten alleen bij de Noorse Boskat voorkomt. Er is ook een variant die bij mensen voorkomt, de ziekte is echter niet besmettelijk, dus mensen kunnen het niet van katten krijgen – of andersom. GSD IV is een zeldzame ziekte, omdat de meeste katten die de ziekte hebben, niet oud worden. De meeste kittens met GSD IV worden doodgeboren. Bij de kittens die het wel overleven beginnen de symptomen meestal rond de leeftijd van vijf maanden. Katten met GSD IV missen een enzym om de opgeslagen glycogeen te kunnen verbranden, wat uiteindelijk leidt tot volledige invaliditeit, omdat de spieren langzaam stoppen met werken. De ziekte vererft recessief, dus beide ouders moeten drager zijn wil een kitten het kunnen krijgen. Op het moment is er voor katten nog geen oplossing om deze ziekte te bestrijden. Aangezien het dier continu verzorgd moet worden en het lijden vaak te erg is, laten de meeste eigenaars het dier inslapen. De ziekte is vooral voor fokkers een groot probleem, omdat zij veel kans hebben op doodgeboren kittens.