Gidsen Goede Praktijken

Wat is een Gids Goede Praktijk (GGP); Dierenwelzijn en Gidsen Goede Praktijken
Honden
Katten
Kleine Zoogdieren
Reptielen / Amfibieën
Vissen
Vogels

Dierenwelzijn en Gidsen Goede Praktijk

Aanleiding

Maatschappelijk en politiek is er de laatste jaren een toenemende aandacht voor dierenwelzijn ontstaan. In de Nota Dierenwelzijn van de minister van LNV (2008) is als een van de mogelijkheden voor de verbetering van dierenwelzijn voor gezelschapsdieren genoemd (pag. 36 en 38) het opstellen van Gidsen voor Goede Praktijk, hierna te noemen GGP. De minister geeft in haar nota de Stichting PVH hierbij als partij aan. De GGP’s geven een nadere invulling van onze zorgplicht voor gezelschapsdieren.

Dierenwelzijn

Dit is een complex begrip dat zowel het fysieke welzijn (diergezondheid) als het geestelijk welzijn (hoe voelen dieren zich) omvat (Brambell Committee, 1965; De Jonge en Goewie, 2000). Bij dierenwelzijn gaat men soms meer uit van gevoelens van dieren, en soms meer van het biologisch functioneren. Voorbeelden van definities zijn: ‘welzijn is in harmonie met de omgeving leven’ (Hughes, 1976), of ‘welzijnsstatus hangt af van de moeite om aan te passen aan de omgeving’ (Broom and Johnson, 1993), of ‘hangt samen met de voorspelbaarheid en beheersbaarheid van de omgeving’ (Wiepkema en Koolhaas, 1993), of ‘welzijn hangt samen met de mentale en emotionele status van dieren, zoals plezier, pijn, gevoel van stress, angst en frustratie’ (Duncan, 1996).
We gebruiken daarom verschijnselen die we aan dieren aflezen om hun welzijn en gezondheid zo betrouwbaar mogelijk in te schatten. Daarbij baseren we ons vooral op de kennis die wij hebben van de biologie van het betreffende dier. De verschijnselen die we aan dieren aflezen zijn globaal te verdelen in de categorieën gedrag, gevoel en emotie, lichamelijke gesteldheid en maatschappelijke perceptie.
Gedrag

Gedrag is wellicht de belangrijkste informatiebron om het welzijn van dieren te kunnen beoordelen. Gedrag geeft een indruk van hoe dieren hun omgeving ervaren. Het natuurlijk gedrag van een dier is het resultaat van een evolutionair selectieproces waarin de dieren die het best zijn aangepast overleven. Het zijn gedragingen die dieren vertonen in hun natuurlijke omgeving. Voor het kunnen uiten van natuurlijk gedrag geldt dat dit niet synoniem is aan en een garantie is voor goed welzijn. Dieren hebben enerzijds het vermogen om zich aan te passen aan ‘nieuwe’ situaties, anderzijds kan de natuur ook ongemakken veroorzaken die niet voorkomen bij gehouden dieren. Voorbeeld hiervan is bescherming tegen roofdieren. Echter, sommige onderdelen van het natuurlijke gedragsrepertoire zijn zo belangrijk en belonend voor een dier dat het die gedragingen onder alle omstandigheden wil blijven uitvoeren. Hiertoe is het dier als het ware voorgeprogrammeerd, en er wordt in dit verband ook gesproken over ‘behavioural needs’. Voor varkens, bijvoorbeeld, is het belangrijk te kunnen wroeten en scharrelen. Naarmate we dieren beperken in het uitvoeren van belangrijke elementen van hun natuurlijk gedragsrepertoire, vergroten we de kans dat dieren afwijkend en ongewenst gedrag gaan ontwikkelen. Deze gedragsproblemen zijn als volgt herkenbaar:
• Beschadigend gedrag, zoals staart- en oorbijten bij varkens, veren plukken bij papegaaien.
• Stereotiep gedrag, gekenmerkt door vormvaste houdingen of gedragspatronen, die voortdurend worden herhaald en naar hun effect doelloos lijken. Bijvoorbeeld weven bij paarden, heen en weer lopen van wolven en stangbijten bij varkens.
• Apathisch gedrag, waarbij het dier de interesse in de omgeving verliest.
De Raad voor Dierenaangelegenheden adviseert dat een dier niet gehouden zou moeten worden wanneer het niet vrij is van chronische negatieve stress, waarbij aandachtspunten zijn (Negatief- en positieflijsten reptielen, amfibieën en vissen, advies RDA 2004/03):
• Sociaal gedrag
• Voedsel en voedselopnamegedrag
• Gedrag i.v.m. zelfbeveiliging
• Rustgedrag
• Uitscheidingsgedrag
• Comfortgedrag
• Thermoregulerend gedrag
• Exploratiegedrag
• Voortplantingsgedrag en opgroei
• Bioritme
• Locomotie
Gevoel en emotie

Op basis van het gedrag dat wij bij dieren waarnemen, proberen we een zo betrouwbaar mogelijke inschatting te maken van de emotionele toestand van een dier. Gevoel en emotie wijzen echter naar een toestand van het brein (psychische component) die zich lastig objectief laat vaststellen. Deze toestand kan worden weergegeven in voor ons begrijpelijke positieve (plezier, opwinding, tevredenheid) en negatieve (pijn, frustratie, angst, verveling, agressie) emoties.
Lichamelijke gesteldheid
Naast de psychische component, is de lichamelijke of fysieke gesteldheid van dieren een belangrijk onderdeel van dierenwelzijn. Vooral waar het stoornissen of ziektes betreft die gepaard gaan met pijn, lijden of blijvend ongerief. Deze stoornissen kunnen aangeboren zijn, of later optreden als gevolg van infecties, slijtage, gestoorde orgaanfuncties, weefselwoekeringen, tekortkomingen in verzorging en huisvesting, of door toedoen van soortgenoten.
Morele zorg en maatschappelijke perceptie

Naast de genoemde aspecten van het dier, spelen vanuit de morele zorg van mensen voor dieren integriteit en intrinsieke waarde van het dier een belangrijke rol in de welzijnsdiscussie. Zeker in de discussies rond het houden van gezelschapsdieren is dit een belangrijk element. Onder integriteit wordt de heelheid van een dier verstaan. In de veehouderij worden routinematig ingrepen toegepast, waarbij een deel van het lichaam van dieren wordt verwijderd. Hierbij is het minder van belang of dieren van de ingreep zelf veel of weinig last hebben. Het laatste element dat in de discussie over het welzijn van dieren een rol speelt is de intrinsieke waarde, de waarde die dieren als dier hebben, los van hun gebruikswaarde. Het respecteren van de eigenwaarde geeft aan dat het dier iets eigens heeft, iets dat wezenlijk is voor het dier.

Vijf vrijheden

De commissie Brambell (1965) legde de basis voor het hanteerbaar maken van dierenwelzijn in de vorm van de zogenaamde vijf vrijheden. Deze hadden in eerste instantie betrekking op het kunnen staan, liggen, omdraaien, verzorgen van de huid (likken, krabben) en het strekken van de ledematen. In 1993 heeft de Britse Farm Animal Welfare Council (FAWC) ze opgepakt en uitgewerkt tot de volgende lijst van vijf vrijheden:
• vrij van dorst, honger en ondervoeding,
• vrij van fysiek en thermaal ongerief,
• vrij van pijn, verwonding en ziektes,
• vrij van angst en chronische stress en
• vrij om natuurlijk gedrag te vertonen.
Op basis van bovenstaande kenmerken die aan dieren zijn af te lezen kunnen we een aantal (performance) parameters aanwijzen die aangeven – echter niet in absolute zin – hoe het met dierenwelzijn gesteld is. Omgevingsparameters, ofwel designparameters (hokdesign en vierkante cm of m), geven niet aan hoe de dieren zich voelen, maar scheppen wel randvoorwaarden voor een goed dierenwelzijn.
Welfare Quality

Op Europees niveau is er ook toenemende aandacht voor welzijn van het dier. In het EU-project Welfare Quality® is een Europees gedragen welzijnsmodel ontwikkeld, grotendeels op basis van dierkenmerken (Keeling en Veissier, 2005). Dit welzijnsmodel borduurt voort op het bovengenoemde model van de vijf vrijheden.
Het raamwerk van Welfare Quality gaat uit van vier klassen en in totaal twaalf welzijnscriteria.

Principes en bijbehorende welzijnscriteria voor Welfare Quality[1]

Principes

Welzijnscriteria

I. Goede voeding

1. Afwezigheid van voortdurende honger

2. Afwezigheid van voortdurende dorst

II. Goede huisvesting

3. Comfortabele rustplaats

4. Comfortabele temperatuur

5. Gemakkelijk kunnen bewegen

III. Goede gezondheid

6. Afwezigheid van verwondingen

7. Afwezigheid van ziekten

8. Afwezigheid van pijn veroorzaakt door “verzorging door de houder”

IV. Soortspecifiek gedrag

9. Uitvoeren van sociaal gedrag

10. Uitvoeren van ander gedrag

11. Goede mens-dier-relatie

12. Afwezigheid van algemene angst

Uitgangspunten voor het dierenwelzijn

De Raad voor Dierenaangelegenheden bij LNV gebruikt sinds korte tijd voor haar studies waarin het aspect dierenwelzijn een rol speelt, de ontwikkelde Europese norm als basis.
Om de criteria van de Europese norm concreet te maken voor een diersoort of groep van soorten is de Gids voor de Goede Pratijk ontwikkeld.

Doelstelling van de GGP

Het informeren van de houders en ook het publiek over het verantwoord houden en verzorgen van de diersoort of -groep genoemd in de GGP, waardoor bij uitvoering daarvan in de praktijk het welzijn van de gehouden diersoort of -groep is gewaarborgd op basis van de Welfare Quality. Daarnaast kan de GGP worden gebruikt voor de toetsing van situaties in de praktijk op het aspect van dierenwelzijn. Partijen die dieren houden, worden in toenemende mate gevraagd aan te tonen dat de wijze waarop de dieren worden gehouden de maatschappelijke toets der kritiek kan doorstaan. De GGP kan in deze situaties een toetssteen vormen.
GGP’s in andere sectoren en buurlanden

Ook in andere sectoren is er sprake van de vastlegging van de concretisering van normen. Verwezen wordt naar de Code goed houderschap schapen en geiten, zie daarvoor www.levendehave.nl onder kennisnetwerk. In buurlanden zijn in het recente verleden ook soortgelijke gidsen vervaardigd. Dat zijn bijv. de Haltungsrichtlinien, Mindestensansprüche für Schildkröten in Oostenrijk, de Gutachten über Mindestensanforderungen an die haltung van Papageien, …von Säugetieren, ….von Kleinvögeln, alle uitgebracht door het Bundesministerium für Ernährung, Landwirtschaft und Forsten in Duitsland.
De Oostenrijkse Mindestensansprüche für Schildkröten geven naast een inleiding, een algemeen deel met informatie over o.a. verblijf, inrichting daarvan, voeding, water, temperatuur en klimaat, licht, rustperioden, hygiëne en quarantaine, te gebruiken materialen, opkweek van jonge dieren en een overzicht van soorten met de behoeften aan ruimte, wateroppervlak, bodembedekking, klimaatzone, noodzaak van UV-belichting en soortspecifieke informatie.
De Duitse uitgaven omvatten een algemeen deel, een specifiek deel met algemene informatie over het houden van de betreffende diergroep en daarna per groep soorten vooral informatie over huisvesting en klimaat, alsmede bijzondere omstandigheden bij het houden, bijv. in de handel, bij transport, tentoonstellingen, markten en beurzen.
Ook een grote vereniging als bijv. de Duitse DGHT heeft o.a. houdbaarheidsrichtlijnen uitgebracht, bijv. voor salamanders (www.dght.de/Arbeitsgemeinschaft Urodelen) en heeft ook voor andere diergroepen diverse informatiebladen en artikelen op de website ter inzage.

Indeling van de GGP

Het PVH heeft ervoor gekozen een format te hanteren met de hieronder aangegeven rubrieken. Daarbij wordt aangesloten bij de bovengenoemde principes voor “Welfare Quality”.

I. Toepassing
Hier wordt beschreven op welke diergroep de GGP van toepassing is.
II. voeding
III. Huisvesting
IV. Gezondheid
V. Soortspecifiek gedrag
VI. Verdere informatie
Literatuur, websites enz.

Daarmee bevatten de GGP’s de meest essentiële eisen en richtlijnen voor het verantwoord houden van de betreffende diersoort of -groep. Deze eisen en richtlijnen vormen geen statisch geheel maar kunnen op basis van toenemende kennis en inzicht worden aangepast en verbeterd.

[1] Bron: Prof. Dr. Ir. H. Blokhuis, projectleider Welfare Quality-project