koningspython (Python regius)

koningspython albino

Algemeen
De koningspython (Python regius) is een niet-giftige wurgslang en behoort tot de familie Boidae (pythons en boa’s).

De koningspython leeft in het wild in westelijk Afrika, onder andere in Gambia, Ghana, Nigeria, Senegal, Benin en Togo. Het leefgebied van de koningspython bestaat uit drogere gebieden als savannen en bossen, maar vrijwel altijd in de buurt van water.

De gemiddelde lengte van volwassen koningspythons ligt tussen de 90 en 120 centimeter. Meestal worden ze niet langer dan 150 centimeter. Vrouwtjes worden in het algemeen langer dan mannetjes en bereiken soms lengtes tot 180 centimeter.

Het lichaam is dik, gespierd en massief. De kop is relatief groot, afgeplat en peervormig en er is een duidelijke overgang zichtbaar naar de smallere hals. De kleur is donkerbruin tot zwart met geelbruine vlekken. In deze vlekken zijn meestal kleinere vlekjes aanwezig met dezelfde kleur als de basiskleur. Vaak zit er om de vlekken heen een lichter randje.

Als u overweegt om een koningspython als huisdier te kopen, is het belangrijk dat u zich van tevoren goed laat informeren. Deze huisdierenbijsluiter kan u daarbij helpen.

koningspython spider

Verschillende varianten
Er bestaat inmiddels dankzij de kweek in gevangenschap een grote kleurenvariatie van koningspythons: behalve de wildkleur komen ook roodbruine tot gele en albino exemplaren voor. In het algemeen zijn wildvangexemplaren donkerder van kleur dan nakweekdieren. De buik is altijd gebroken wit tot lichtgrijs van kleur.

Van nature
Koningspythons leven van nature alleen (solitair). Deze slang is voornamelijk een bodembewoner, maar wil ook met enige regelmaat klimmen.

Koningspythons zijn voornamelijk actief tussen zonsondergang en zonsopkomst. Overdag zitten ze meestal verscholen op donkere plaatsen. ’s Nachts wordt er gejaagd en voordat de prooi wordt opgegeten wordt deze eerst gewurgd. De ogen van koningspythons zijn aangepast aan jagen bij zwak licht en warmbloedige prooien worden bovendien waargenomen door het warmtezintuig, een rij roodgekleurde putjes in de bovenlip. Verder is ook de reukzin van de koningspython sterk ontwikkeld: hij ruikt niet alleen met zijn neus maar ook met het vomeronasaal orgaan. Dit orgaan bestaat uit een aantal putjes in het dak van de bek; door de tong worden er geurdeeltjes naartoe gebracht.

De koningspython staat bekend als een rustige, vriendelijke, nieuwsgierige en niet-agressieve slangensoort. De koningspython bijt dan ook zeer zelden en bij gevaar rolt hij zich op als een bal met de kop in het midden ter bescherming. Deze laatste verdedigingstechniek heeft de koningspython het synoniem balpython opgeleverd. Bij dieren die al langere tijd in gevangenschap worden gehouden en die regelmatig door hun eigenaar worden gehanteerd komt dit gedrag echter zelden nog voor. 

koningspython albino

Huisvesting
Koningspythons kunnen het beste alleen worden gehouden vanwege hun natuurlijke solitaire levenswijze. Als u toch meerdere slangen samen wilt houden, kies dan voor een koppel (een mannetje en een vrouwtje) en zorg voor tenminste twee afzonderlijke schuilplaatsen.

Het terrarium moet ruim zijn: voor één volwassen slang voldoet een terrarium van minimaal 40x80x50 centimeter (hoogte x breedte x diepte). Voor een koppel volstaat een terrarium van 75x120x90 centimeter (hoogte x breedte x diepte). U kunt ervoor kiezen een terrarium te kopen bij een terrariumspeciaalzaak of via bijvoorbeeld een terrariumvereniging. Het is echter ook mogelijk zelf een terrarium te maken. Koningspythons zijn meesterontsnappers. Let er dus op dat het deksel of de deuren goed sluiten en ventilatieopeningen niet zo groot zijn dat de slang zich erdoor zou kunnen wurmen of erin klem zou kunnen komen te zitten.

Blindeer in ieder geval de achterwand en bij voorkeur ook de zijwanden van het terrarium.

Als bodembedekking zijn schorssnippers, zaagsel (den of liever esp, géén ceder, want vluchtige oliën ervan kunnen de slang schaden) en krantenpapier zeer geschikt. Als u kiest voor krantenpapier, bedek dan eerst de bodem met hele kranten en leg daar bovenop een laag krantensnippers waaronder de slang zich kan verschuilen.

In het terrarium moeten altijd een waterschaal, één of twee stevige stabiele klimtakken en schuilplaatsen aanwezig zijn. Een schuilplaats moet net om de opgerolde slang heen passen, dat geeft de slang een veilig gevoel. De waterschaal moet zo groot zijn dat de slang er in zijn geheel in kan liggen om te weken. Sommige slangen doen dit voorafgaand aan de vervelling. De slang zal de waterschaal tevens gebruiken om uit te drinken en soms ook om de behoeften er in te doen. De temperatuur van het water moet dag en nacht 22 tot 26 graden Celsius bedragen. Als de verwarming van het terrarium het water niet op deze temperatuur kan houden, verwarm het water dan apart met een aquariumverwarmer. Plaats deze in een plastic pijp en houd die onder water met behulp van een zware steen.

Het terrarium kan verder aangekleed worden met kunstplanten en stukken drijfhout/(kurk)schors, waarvan de slang ook bij de vervelling gebruik kan maken.

Overdag moet de temperatuur in het terrarium 27 tot 32 graden Celsius zijn, ’s nachts enkele graden koeler, namelijk 23 tot 27 graden Celsius. Met een warmtespot kunt u een temperatuurgradiënt creëren. Voorkom dat de slangen direct contact met de warmtespot kunnen maken, omdat dit ernstige brandwonden oplevert. De meest eenvoudige warmtespot is een gewone gloeilamp met een hoog wattage, maar er zijn ook infraroodlampen en keramische warmtestralers verkrijgbaar. Keramische warmtestralers zijn aan te sluiten op een thermostaat en zijn bovendien dag en nacht bruikbaar als warmtespot. Dat laatste geldt niet voor gewone gloeilampen, het is namelijk belangrijk dat de slangen een licht/donker cyclus behouden. ’s Avonds en ’s nachts moet u daarom de gewone gloeilamp uitdoen en in plaats daarvan een rode, blauwe of zwarte lamp gebruiken.

Vooral in kleinere terraria is één warmtespot soms voldoende om het hele terrarium te verwarmen. Indien nodig kan extra verwarmd worden met een warmtemat onder het terrarium: deze mag de helft tot tweederde van het bodemoppervlak bedekken.  Plaats meerdere thermometers in het terrarium, in ieder geval één onder de warmtespot en één in de hoek van het terrarium die het verst van de warmtespot afligt.

Omdat koningspythons nachtdieren zijn stellen ze geen bijzondere eisen aan de verlichting van het terrarium. Een gloeilamp is voldoende voor een klein terrarium. Zeker bij grotere terraria wordt de voorkeur gegeven aan daglichtbuizen: deze geven minder warmte af en zenden licht uit dat het spectrum van natuurlijk zonlicht benadert. De verlichting mag twaalf tot veertien uur per dag branden.

In de meeste huizen ligt de relatieve luchtvochtigheid tussen de 50 en 70%. Deze luchtvochtigheid is ook prima voor de koningspython. Zolang de hygrometer in het terrarium een waarde in dit gebied aangeeft hoeft u niets extra’s te doen voor de luchtvochtigheid. Een te natte omgeving zorgt onder andere voor huidproblemen. Als de luchtvochtigheid te laag wordt kan dit resulteren in problemen bij het vervellen. Is dat het geval dan kunt u door met een plantenspuit water in het terrarium te sproeien de luchtvochtigheid verhogen.

koningspython albino

Winterrust
Om te kweken met koningspythons moet er een winterrustperiode van ongeveer vier maanden aangehouden worden, tijdens de winterrust is de daglengte maximaal 10 uur en de omgevingstemperatuur gaat omlaag naar ongeveer 26°C overdag en 24°C ’s nachts.

Verzorgen en hanteren
Controleer iedere dag het klimaat en de hygiëne in het terrarium. Vervang dagelijks het water in de waterschaal door schoon lauw water en verwijder daarbij tegelijkertijd niet opgegeten voedsel en ontlasting uit het terrarium. Iedere twee tot drie maanden dient het hele terrarium leeggehaald en in zijn geheel schoongemaakt te worden, inclusief volledige vervanging van eventueel gebruikte bodembedekking zoals zaagsel. Kranten die als bodembedekking zijn gebruikt moeten vaker vervangen worden. Als desinfectie van het terrarium en de inrichting nodig is, gebruik dan een mild desinfectans, spoel goed na en droog vervolgens alles goed af. Goede desinfectiemiddelen zijn verkrijgbaar bij uw dierenarts of dierenspeciaalzaak.

Om te zorgen dat uw koningspython ‘tam’ wordt en blijft, zult u de slang regelmatig moeten hanteren. Kleine koningspythons kunnen met één hand ongeveer halverwege het lichaam worden opgepakt, grotere met twee handen op éénderde en tweederde deel van het lichaam. Laat vervolgens de slang zich om uw vingers, handen of armen kronkelen. Zorg er wel voor dat u het dier altijd net achter de kop kunt omvatten voor het geval de python nerveus of bang wordt. Als de python om een lichaamsdeel heen gewikkeld zit en u wilt de slang losmaken, pak dan de staart en maak de slang in tegengestelde richting los. Houd de slang nooit in de buurt van uw gezicht: koningspythons bijten zeer zelden, maar als ze bijten kunnen ze pijnlijke, bloederige wonden veroorzaken. Om de kans op beten te verkleinen, is het verstandig te zorgen dat u niet naar prooi ruikt als u de slang gaat hanteren. Eventueel kunt u de slang eraan wennen dat hij in een andere bak dan het terrarium wordt gevoerd.

Reptielen kunnen drager zijn van op mensen overdraagbare bacteriën zoals Salmonella. Was na het verzorgen, voeren of hanteren van uw koningspython en/of het schoonmaken van het terrarium daarom altijd uw handen met warm water en zeep gedurende tenminste 30 seconden!

koningspython

Laat kinderen nooit alleen met deze slangen.

Voeding
Wilde koningspythons eten kleine zoogdieren zoals gerbils en ratten, maar geen muizen. Verder eten ze amfibieën, hagedissen en vogels. Vaak specialiseren ze zich in één soort prooi, bijvoorbeeld alleen gerbils. De meeste koningspythons in gevangenschap laten zich echter goed voeden met muizen en/of jonge ratten.

Dode en bevroren muizen en ratten zijn verkrijgbaar bij onder andere terrariumspeciaalzaken. Ontdooi de prooidieren ruim op tijd. Ontdooi prooidieren nooit in de magnetron: dit verandert de samenstelling van het vlees en verhoogt het risico op snel bederf dat kan doorgaan in het darmkanaal van de slang en het dier zo ziek kan maken. Voer met een voedertang of pincet, nooit met de blote hand! U kunt de interesse van de slang voor een dode prooi wekken door de prooi voor de neus van de slang heen en weer te bewegen.

Het is ook mogelijk levende prooien te voeren, maar toch verdient het voeren van dode muizen en ratten de voorkeur. Ten eerste omdat ze in de handel gemakkelijk te verkrijgen zijn. Als u levende prooien wilt voeren zal het er vaak op neerkomen dat u zelf ratten en/of muizen gaat fokken. Daarbij moet uiteraard hun welzijn gewaarborgd zijn en moeten ze uitgebalanceerde voeding krijgen om uiteindelijk goede voeding voor uw slang te zijn. Bovendien kost de verzorging van prooidieren vaak net zoveel of soms zelfs meer tijd dan de verzorging van uw slang. Ten tweede bestaat bij het levend voeren het gevaar dat de prooidieren uw slang verwonden.

Als u er toch voor kiest levende prooidieren te voeren, is het van belang dat u bij het voeren toezicht houdt en het prooidier uit het terrarium verwijdert als de slang geen interesse toont of het prooidier aan de slang gaat knagen. Laat levende prooidieren in ieder geval niet langer dan twintig minuten door het terrarium rondlopen.

Jonge koningspythons kunnen gevoerd worden met pinkies (nestmuizen zonder haar en met gesloten ogen), fuzzies (nestmuizen met enige beharing en geopende ogen) en springers (wat oudere volledig behaarde muizen). Gedurende de eerste drie maanden mogen ze maximaal twee muizen per week krijgen, daarna drie muizen iedere twee weken. Zorg dat de grootte van de prooi overeenkomt met die van de python; dus pinkies voor pas ‘geboren’ pythons en naarmate ze groeien eerst fuzzies en later springers.

Wanneer de koningspython een lengte van ongeveer 60 centimeter heeft bereikt, rond een leeftijd van zes tot acht maanden, kan worden overgegaan op het voeren van volwassen muizen en baby ratjes. Eén per week tot twee weken is dan voldoende. Let erop dat uw slang niet te dik wordt want dat is erg ongezond.

Het beste tijdstip om te voeren is ’s avonds net voor het uitschakelen van de verlichting.

Het kan een goed idee zijn om uw slang in een andere bak dan zijn of haar terrarium te voeren. De slang zal dan de andere bak in plaats van het terrarium in verband brengen met voedsel, waardoor de kans dat uw hand wordt aangezien voor een prooi als u de slang uit het terrarium wilt pakken afneemt.

Koningspythons weigeren soms wel enkele maanden te eten. Dit hoeft geen probleem te zijn, zolang het gewicht en de conditie van het dier niet afnemen. Vooral bij wildvangdieren wordt het niet-eten echter nogal eens veroorzaakt door bijvoorbeeld huisvestings- en gezondheidsproblemen en de daardoor veroorzaakte stress. Raadpleeg daarom altijd een dierenarts met kennis en ervaring op het gebied van reptielen of een ervaren reptielenhouder als het vasten aanhoudt of de slang afvalt.

Van jong tot volwassen dier
Het geslachtsonderscheid bij de koningspython is niet met zekerheid op basis van het uiterlijk te maken, maar er zijn wel aanwijzingen te verkrijgen, met name bij slangen vanaf een leeftijd van zes maanden. Het mannetje is in het algemeen korter (maximaal circa 1,20 meter) en slanker van bouw en heeft bovendien een kleinere kop dan het vrouwtje. Het mannetje heeft vaak grotere en duidelijkere anale sporen (klauwachtige restanten van de achterpoten) aan weerszijden van de cloaca dan een vrouwtje van vergelijkbare grootte. Tot slot hebben mannetjes een bredere staartbasis die minder abrupt smaller wordt dan bij vrouwtjes van vergelijkbare grootte.

Door inwendig onderzoek kan (bijna) altijd correct bepaald worden wat het geslacht van uw slang is. Laat dit over aan iemand die hier veel ervaring mee heeft, om te voorkomen dat uw slang gewond raakt. Als u uw slang koopt bij een kweker zal in de meeste gevallen het geslacht al bepaald zijn.

Een koningspython is geslachtsrijp op een leeftijd van ongeveer drie jaar.

Wanneer de temperatuur daalt richting twintig graden Celsius en de koningspython stopt met eten begint het voortplantingsseizoen; de normaliter solitair levende dieren gaan dan op zoek naar een partner. In Afrika vindt dit plaats rond december. Om te kweken met koningspythons in gevangenschap moet u ook zo’n koelere periode (winterrust) aanbieden om de dieren tot voorplanting aan te zetten.

Na ongeveer 25 dagen zwangerschap (dracht) krijgt het achterlijf van het vrouwtje een plomp uiterlijk: enige tijd later kunnen de eieren van buitenaf ook gevoeld worden. De eieren zijn kwetsbaar, dus hanteer een drachtig vrouwtje zo min mogelijk en uiterst voorzichtig. Vanaf ongeveer drie weken dracht tot het moment dat de eieren uitkomen of worden weggehaald zal het vrouwtje niet eten. Ongeveer 24 tot 42 dagen voordat ze haar eieren legt zal ze nog een keer vervellen.

Ongeveer 70 dagen na de paring legt het vrouwtje haar eieren. Dit kan echter variëren tussen de 30 en 140 dagen. Zorg ervoor dat het vrouwtje de beschikking heeft over een knusse, donkere en vochtige legbox met een laagje vochtig (niet nat!) vermiculiet, turfmolm of veenmos op de bodem. Een legsel bestaat gemiddeld uit zes eieren, maar kan variëren tussen de twee en tien eieren afhankelijk van de grootte en de conditie van het vrouwtje.

Bij bebroeding in een broedstoof met een temperatuur tussen de 30 en 32 graden Celsius, komen de eieren uit na ongeveer 60 tot 80 dagen. Als het vrouwtje zelf de eieren uitbroedt, duurt het in de regel langer voordat de eieren uitkomen; gemiddeld ongeveer drie maanden, maar soms wel 105 dagen. In die periode is het vrouwtje volledig om de eieren heen gewikkeld en zal ze de eieren niet achterlaten en niet eten. Voor een gezond vrouwtje is dit geen probleem. Zorg wel voor een goede temperatuur in het terrarium: ongeveer 30 tot 32 graden Celsius overdag en 25 graden Celsius ’s nachts.

Eenmaal uit het ei gekomen is een jong op zichzelf aangewezen: het vrouwtje kijkt er niet meer naar om. Zodra de jongen helemaal uit het ei zijn gekropen kunnen ze ieder apart gehuisvest worden in een kweekbak met kranten- of keukenpapier op de bodem, een schuilplaats en een kleine ondiepe waterschaal.

De meeste net uit het ei gekomen koningspythons zullen niet willen en hoeven eten tot na hun eerste vervelling. Net uit het ei gekomen koningspythons zijn ongeveer 30 centimeter lang. Vervolgens groeien ze in de eerste drie levensjaren ongeveer 30 centimeter per jaar. Koningspythons worden in gevangenschap meestal zo’n 20 tot 30 jaar oud. In de dierentuin van Philadelphia is ooit een koningspython 47 jaar oud geworden.

Ziekten en aandoeningen
Erfelijke aandoeningen die regelmatig voorkomen bij koningspythons zijn een kronkel in de ruggengraat, afwijkende schubben en misvormingen van het oog. Met slangen die dergelijke afwijkingen vertonen mag nooit gekweekt worden.

Problemen met de vervelling komen veel voor. Slangen hebben een transparante huid over hun ogen, bril genoemd. Deze huid hoort in één geheel met de rest van de huid losgelaten te worden. Controleer altijd of de vervelde huid compleet is. Gezonde koningspythons vervellen meerdere keren per jaar en het hele proces hoort normaal gesproken niet meer dan een paar uur in beslag te nemen. Een teken dat uw slang binnenkort gaat vervellen is dat de bril ondoorzichtig melkachtig af blauw wordt.

Huidproblemen die regelmatig voorkomen bij slangen zijn (brand)wonden. Raadpleeg zo snel mogelijk een dierenarts als uw slang een wond heeft. Een onbehandelde wond kan namelijk tot een abces leiden.

Slangenmijt komt regelmatig voor, vooral bij wildvangexemplaren en dieren die onder verkeerde omstandigheden worden gehouden. In grote aantallen kunnen mijten stress, vervellingsproblemen, bloedarmoede, verlies van eetlust en uiteindelijk de dood van uw slang veroorzaken.

Koningspythons zijn gevoelig voor verschillende inwendige parasieten. Vooral wormen in het spijsverteringskanaal kunnen problemen geven wanneer de weerstand van de slang afneemt door bijvoorbeeld stress. Het aantal wormen kan dan explosief toenemen en leiden tot bloedarmoede, sloomheid, verlies van eetlust en uiteindelijk de dood. Een dierenarts kan de ontlasting van de slang onderzoeken en bepalen of er sprake is van een worminfectie en zo ja, welk ontwormingsmiddel gegeven moet worden.

Entamoeba invadens is een gevreesde inwendige parasiet. Deze parasiet tast de wand van de dikke darm aan, waardoor de parasiet en bacteriën gemakkelijk het lichaam kunnen binnendringen. Vervolgens worden diverse organen aangetast. Symptomen van de ziekte zijn: niet eten, vermageren, slijmerige, waterige ontlasting, vaak met bloed, veel drinken, sloomheid en verzwakking. Een geïnfecteerde slang maakt alleen kans op overleving als behandeling door een dierenarts zo snel mogelijk wordt gestart.

Bekrot is een bij slangen veel voorkomende ontsteking van de bek. Het kan ontstaan door verkeerde omstandigheden in het terrarium, met name door een natte, vuile bodembedekking. Raadpleeg uw dierenarts als er in de bek van de slang tekeningen van ontsteking zijn, zoals pus, roodheid, zwelling, pijn met soms weigeren van voedsel tot gevolg.

Een Salmonella-infectie kan bij slangen symptoomloos verlopen, maar soms ontstaan er wel verschijnselen. Bij waterige, groen gekleurde, stinkende ontlasting moet u uw slang verdenken van salmonellose. Neem vanwege het gevaar voor uzelf en uw gezin direct strikte hygiënemaatregelen in acht en raadpleeg zo snel mogelijk een dierenarts.

Inclusion Body Disease (IBD) is een virusziekte die voorkomt bij pythons en boa’s. De ziekte verloopt bij pythons in het algemeen sneller dan bij boa’s. Het virus tast zenuwen, hersenen, ruggenmerg en inwendige organen aan. De verschijnselen bij koningspythons zijn: verlamming, zich niet meer kunnen oprichten, ‘sterrenkijken’, niet meer kunnen aanvallen/wurgen, extreem vermageren, luchtweginfecties, problemen met vervellen, bekrot, desoriëntatie, blindheid en/of ongecoördineerde voortbeweging. Als een boa of python besmet is kan het maanden duren voor verschijnselen optreden. Soms treden er helemaal geen verschijnselen op maar scheidt de slang het virus wel uit (de zogenaamde drager) en is op die manier een besmettingsbron voor andere boa’s en pythons. Er is geen direct slang-slang contact nodig voor overdracht van het virus: het virus kan zich verspreiden via de lucht, maar ook via voorwerpen (bijvoorbeeld schoonmaakborstel en uw eigen kleding/handen). Als eenmaal verschijnselen zijn ontstaan zal de ziekte de slang fataal worden. Er bestaat geen behandeling, de door het virus aangerichte schade is blijvend en de ziekte is ook nog eens uiterst besmettelijk; euthanasie is daarom de beste keuze.

Als u thuis al een wurgslang (boa of python) heeft, plaats de nieuwe koningspython dan eerst in quarantaine gedurende tenminste vier weken. Vanwege ziektes met een lange incubatietijd (tijd tussen besmetting en verschijnselen) zoals IBD is een langere quarantaineduur van drie maanden tot een jaar aan te bevelen.

Benodigde ervaring
Als men enige ervaring heeft met het houden van andere terrariumdieren en graag slangen wil gaan houden, is de koningspython een geschikte soort om mee te beginnen. Koningspythons zijn rustig, niet agressief, worden niet te groot en zijn relatief eenvoudig te hanteren. Voor de beginnende slangenhouder is echter alleen een nakweekdier geschikt en u dient zich er voor de koop van te vergewissen dat het betreffende exemplaar zonder problemen muizen eet. Verder is het van het grootste belang dat u zich van te voren goed laat informeren en precies weet hoe de koningspython verzorgd moet worden.

koningspython albino

Kosten
Koningspythons zijn te koop vanaf ongeveer 50 euro. Nakweekdieren zijn in het algemeen duurder dan wildvangexemplaren, maar de kans op problemen is bij nakweekdieren lager. Terraria kosten in het algemeen enkele honderden euro’s. Diepvriesmuizen zijn te koop vanaf ongeveer € 0,25 per stuk (pinkies), diepvriesratten vanaf ongeveer € 0,50 per stuk. Houd naast de kosten voor de aanschaf en verzorging ook rekening met eventuele dierenartskosten.

Bijzonderheden 

  • Zoek een in reptielen gespecialiseerde dierenarts vóórdat u een reptiel koopt. Laat uw slang na aankoop controleren door een dierenarts. Speciale aandacht gaat daarbij uit naar in- en uitwendige parasieten. Neem zo vers mogelijke ontlasting van uw slang mee.
  • Kies bij voorkeur voor jonge nakweekdieren. Wildvangdieren zijn vaak besmet met (in- en/of uitwendige) parasieten, dragen regelmatig ziektes bij zich en zijn erg gevoelig voor stress. Verder zijn ze er meestal niet aan gewend gehanteerd te worden en zijn ze moeilijker  ‘tam’ te maken. Ook eten wilde koningspythons van nature geen muizen. Het gevolg van dit alles is helaas te vaak het langdurig weigeren van elk voedsel met uiteindelijk de dood tot gevolg
  • Koningspythons vallen onder de CITES bijlage II. Het doel van CITES is om de handel in bedreigde dier- en plantensoorten en de producten daarvan te reguleren. Vraag bij aankoop om de CITES-papieren.
  • Koop uw slang bij een dierenspeciaalzaak, kweker of hobbyhouder met een goede reputatie: de kans is groot dat u dan bij de koop en erna van hem of haar waardevolle hulp en advies kunt krijgen.
  • Let op of de slang die u wilt aanschaffen een mooi rond lichaam, heldere ogen, een schone neus, bek en cloaca heeft en geen verschijnselen van ademhalingsproblemen (met bek open en/of piepend ademen, belletjes rond de neusgaten) vertoont. Kies een slang die alert en nieuwsgierig is en zich bij het hanteren stevig maar voorzichtig om uw hand wikkelt. Vraag of de verkoper het voeren wil demonstreren, zodat u zeker weet of de slang die u op het oog heeft eet.
  • Probeer de slang de eerste week zoveel mogelijk met rust te laten, zodat het dier aan de nieuwe omgeving kan wennen. Begin de koningspython daarna dagelijks te hanteren en bouw dit langzaam op. Kom in het begin niet te veel aan de kop: de meeste koningspythons zullen als een vreemde hun kop aanraakt, zich van die persoon afkeren.
  • Ter identificatie kunt u uw koningspython laten chippen.

Tekst en foto’s: Stichting Herpetofauna