Fokkerijbeleid voor raskatten

Inleiding

udayaan1103re

Fokkers van gezelschapsdieren zijn individualisten, al helemaal wanneer het om dieren gaat die voor tentoonstellingen worden gefokt. Ze hebben allemaal hun eigen plannetjes en hun eigen geheime “winnende recepten”. Daarmee hopen ze hun collega’s de loef af te steken en die ene èchte topper op de volgende show fokken. Er is er weinig openheid over de fokkerij. Die openheid ontbreekt al helemaal wanneer het over de erfelijke problemen bij fokdieren gaat. En dus overkomt het die fokkers regelmatig dat ze allemaal dezelfde besluiten nemen en daarmee ook allemaal dezelfde “fouten” maken en, erger nog, elkaars fouten versterken.

In de sportfokkerij kennen we daar tal van voorbeelden van. Neem nu die fraaie kater die het kampioenschap behaalt. Veel fokkers zouden ook zulke fraaie dieren willen fokken en gaan “dus” naar die kater voor een dekking. Wat ze niet beseffen is dat deze fraaie kampioen, net als elke andere kat in het ras, de aanleg voor enkele tientallen erfelijke afwijkingen bij zich draagt. Het gevolg laat zich raden. Wanneer enkele generaties later de afstammelingen van deze kater onderling worden gepaard, is er een reële kans dat de erfelijke belasting van de kater zichtbaar wordt bij de kittens. We krijgen dan “onverwacht” kittens met erfelijke gebreken. Meestal gaat het om de afwijkingen die al algemeen verspreid in het ras voorkwamen, een enkele keer zorgt die veelgebruikte kampioen voor een explosieve toename van weer een volgend erfelijk probleem in het ras.

DSC02693 De fokkers wilden de “goeie genen” van de kater in hun lijn vastleggen en binnen het ras verbreiden. Meestal zal dat ook wel gelukt zijn. Wat ze nauwelijks beseffen is dat ze daarmee ook de minder goeie genen van die kater hebben vastgelegd en verbreid. Met deze fokmethode en de selectie die daarbij wordt toegepast lukt het niet om alleen maar de “goeie” genen te verspreiden, de “slechte” en de “ongewenste” genen gaan net zo hard mee. Er is dringend behoefte aan een andere aanpak.

Er is toch een fokdoel ?

Bij de fokkerij van gezelschapsdieren, ook van raskatten, hebben we altijd stilzwijgend aangenomen dat het fokkerijbeleid uitsluitend een zaak van de fokkers is. Immers, elke rasvereniging heeft in haar statuten staan dat het behouden en het verbeteren van het ras de basisdoelstellingen zijn. Deze doelstellingen lijken helder, ze werden en worden nog steeds door vrijwel elke fokker onderschreven en het lijkt dus alleen nog maar een kwestie van uitvoeren.

Bekijken we onze doelstellingen wat kritischer, dan blijken er toch nog een paar vragen te zijn. Wat bedoelen we eigenlijk met “behouden”? Wat willen we behouden? Is dat de uiterlijke verschijningsvorm, het exterieur van het ras? Of gaat het ook om het typische gedrag dat elk ras kenmerkt, om de “eigenheid” van het ras? En zijn er dan ook kenmerken bij sommige rassen, die we maar liever niet behouden?

En daarmee komen we bij “verbeteren”. Verbeteren betekent “beter maken dan het was”, veranderen in een richting (naar een toestand) die we beter vinden. Maar wie is in dit geval “we”? Zijn dat de fokkers? Misschien wel de keurmeesters? Of de kittenkopers? Zijn dat sommigen van ons of zijn we dat allemaal? Wie vond eigenlijk dat wat “beter” moest? En hoe liep dat af voor de katten, waren die er daarna beter aan toe?

Zanadou portret 2001 Toen we besloten het ras te gaan behouden, was het toen al niet erg mooi? Moesten we eigenlijk wel zoveel verbeteren? We moeten aannemen dat er in de beginfase van onze stamboekfokkerij alle aanleiding was tot enige verbetering. De meeste rassen zijn ontstaan als groepen “min of meer op elkaar lijkende katten”. Ze waren als groep herkenbaar maar binnen de groep kwamen nog wel erg veel verschillen voor. Een beetje meer homogeniteit kon geen kwaad. Maar hoe ver moeten (kunnen) we gaan met dat verbeteren van het exterieur, met het streven naar homogeniteit? En als we het dan toch over “verbeteren” hebben, dan zijn er ook nog die typische kenmerken van rassen. Moeten de neuzen nog korter? Of de oren nog groter? Moeten de lijven van die katten nog slanker en hoger of misschien wel nog ronder en compacter? Zijn daar criteria of grenzen voor aan te geven?

En hoe verhoudt zich al die aandacht voor het exterieur tot de “kenmerken” gezondheid en gedrag? Welk deel van onze selectieruimte moeten we daaraan besteden? Hoe definiëren we een goede gezondheid en een goed gedrag? Is dat alleen maar een kwestie van niet-ziek en niet-afwijkend? Waar het om het exterieur gaat kunnen we denken in termen van mooi, mooier, mooist. Dat kunnen we meten (vergelijken). Over gezond, gezonder, gezondst hoor je bijna nooit, dat kunnen we ook helemaal niet meten. Terwijl ons voor het gedrag al helemaal de woorden ontbreken om onderscheid te maken tussen goed, beter en best.

Kortom, het zou zeer wenselijk zijn als we eens zouden proberen heldere criteria vast te stellen zodat we de fokdoelen “behouden” en “verbeteren” een inhoud geven die voor iedereen begrijpelijk is en die door iedereen wordt geaccepteerd. Er zijn te veel vragen, ook voor de fokkers, ook zij hebben behoefte aan een zo concreet mogelijk “fokdoel”.

Wensen en eisen van belanghebbende partijen

yamil101Hoe we het ook wenden of keren, het zijn de fokkers die de kwaliteit van volgende generaties bepalen. Zij stellen hun prioriteiten in de selectie, zij besluiten over de inzet van fokpoezen en zij maken hun keuzen ten aanzien van de daarbij te gebruiken katers. De opgetelde keuzen en prioriteiten van alle fokkers samen bepalen de toekomst van het ras. Ze maken wat “men” (de maat­schappij) ziet als “het ras”. En vervolgens is er geen ontkomen aan, de gezamenlijke fokkers worden aangesproken op alle positieve en negatieve uitingen van hun ras.

Dat lijkt heel terecht.We moeten daar natuurlijk wèl bij aantekenen, dat er nogal grote verschillen zijn in de wijze waarop individuele fokkers omgaan met de invulling die zij geven aan het “behouden” en het “verbeteren”. Sommigen zijn vooral bezig met het verbeteren van neuzen en oren en lijken te vergeten dat er achter die neus en onder die oren een dier zit dat recht heeft op kwaliteit van leven.  Gelukkig zijn er vele anderen die heel uitdrukkelijk bezig zijn met de welzijnskwaliteit van en voor hun katten.

Bekijken we die positieve en negatieve uitingen van een ras wat nauwkeuriger, dan blijkt dat ook de begrippen “positief” en “negatief” niet voor iedereen dezelfde inhoud hebben. Verschillende belanghebbenden, elk vanuit een eigen optiek, hebben een eigen beleving van wat belangrijk, gewenst of nuttig is (positief) en over wat ongewenst of zelfs schadelijk is (negatief). Waar de een helemaal lyrisch wordt over de fraaie typische vorm van het hoofd, vraagt de ander zich bezorgd af of een dier met zo’n hoofd nog wel normaal kan functioneren. Een fokker van een schoothondenras legde ooit uit dat zijn ras helemaal niet bedoeld was om te lopen, dat waren honden voor “op schoot”. Hij vroeg zich af of al dat gezeur over patella-problemen en andere functiestoornissen niet heel erg misplaatst was.

We kunnen de belanghebbenden eens nalopen en proberen na te gaan welke verwachtingen zij zouden kunnen hebben van de resultaten van ons fokbeleid.

Het spreekt voor zich om eerst naar de belangen van de kat te kijken. Een kat, net als elk ander levend wezen, heeft recht op een leven zonder pijn, angst, stress of andere vormen van gebrek aan welzijn. De praktijk van het leven heeft ons geleerd, dat dit ideaal niet altijd helemaal haalbaar is, zelfs voor ons mensen niet. Daar moeten we mee leren leven, dat zullen we moeten accepteren. We kunnen wèl in het fok- en selectiebeleid voor onze katten keuzen maken die de beste kansen bieden op het grootst mogelijke welzijn voor de kittens die worden geboren. Als we al iets aan het fokdoel zouden willen toevoegen namens de kat, die wil alleen maar een kattenleven lang, gezond en in welzijn leven. Ze hoeft niet persé het mooiste te zijn, als ze maar kwaliteit van leven heeft.

De belangen van de kittenkoper (de eigenaar, de “consument”) gaan een rol spelen, zodra deze besluit een kat van een bepaald ras aan te schaffen. De aankomende eigenaar kiest  voor een bepaald ras omdat hij gecharmeerd is van het type, soms van het typische karakter van het ras. Een enkele keer komen we een kittenkoper tegen die vooral hoge verwachtingen heeft van de bijdrage aan zijn status die het hebben van een kat van dit heel bijzondere ras oplevert.

De aankomende eigenaar begint met bepaalde verwachtingen die niet altijd worden waargemaakt. Bij teleurgestelde eigenaren kunnen we meestal geen scherp onderscheid maken tussen “in de baas” en “in de kat” gelegen oorzaken. Vaak zullen er duidelijk aanwijsbare problemen in de kat aanwezig zijn, in ander gevallen veroorzaken gebreken en tekortkomingen van de eigenaar de teleurstelling, al was het maar omdat hij met een verkeerd verwachtingspatroon aan een kat of aan een kat  van dàt specifieke ras begon.
We kunnen wel in algemene termen een beeld schetsen van de belangen, die eigenaren hebben. Mensen kopen een kat om daar een kattenleven lang een knusse, gezellige en een aangename huisgenoot aan te hebben. Ook eigenaren, net als hun katten, hebben het recht op een leven zonder pijn, angst, stress of andere vormen van gebrek aan welzijn. Zij willen onbezorgd en onbekommerd kunnen genieten van hun kat. Ook voor katten­eigenaren is dit ideaal niet altijd helemaal haalbaar en ook zij zullen daarmee moeten leren leven.

demiwhoopie0301b Wat moeilijker is het, om van de belangen van de maatschappij een beeld te krijgen. Eigenlijk bestaat “de maatschappij” niet. Er is veel meer sprake van een verzameling individuen, deels met een positieve kijk op katten, deels neutraal ten opzichte van katten en voor een klein deel met een hartgrondige hekel aan katten. En al die mensen met hun eigen beleving van katten, hebben hun eigen recht op welzijn. Daarbij mag het niet zo zijn dat de prijs voor de rechten van de een, door de ander moet worden betaald. Er is behoefte aan het vinden van een modus, een compromis. Vooral de mensen die neutraal of negatief tegenover katten staan, bepalen de door de  maatschappij aan katten te stellen eisen.
Vast staat, dat de maatschappij geen (over)last mag hebben van de katten die wij fokken en houden. Maar ook de begrippen last en overlast worden zeer bepaald door de belevingswereld van de degene die met onze katten te maken krijgt. Het is niet goed mogelijk daarvoor handzame criteria vast te stellen. We kunnen ons slechts richten op de regels die wij als mensen onderling hanteren wanneer we proberen “sociaal” te zijn, wanneer we proberen in harmonie met de mensen in onze omgeving te leven.

Tot slot zijn er ook nog de belangen van de fokker. De fokkers zijn degenen die daadwerkelijk inhoud geven aan het streven naar behoud van het ras. Zij zijn degenen, die ervoor waken dat het typische uiterlijk en het typische karakter van het ras voor de toekomst behouden blijven. Zij zetten zich in voor het behoud van een stukje van onze menselijke cultuurgeschiedenis. Zij zijn ook degenen die ervoor moeten zorgen dat aan de wensen en eisen van alle belanghebbenden wordt voldaan.
Daarbij komt dat zij zelf ook nog een paar wensen hebben. Fokkers willen hun ras niet alleen maar behouden, ze willen het ook verbeteren. Het is voor hen een erezaak om de mooiste, de beste of de meest rastypische katten te fokken. De resultaten van hun fokkerij worden gemeten en vergeleken op tentoonstellingen en de uitkomsten daarvan leveren de motivatie en inspiratie om verder te verbeteren. Uiteraard komt dit streven naar de mooiste of de beste boven op de eis die fokkers met anderen delen dat de katten een goede gezondheid en een goed (sociaal) gedrag moeten hebben.

Fokdoel

Gelukkig komen die wensen en eisen van de belanghebbende partijen in grote lijnen overeen. Ze willen eigenlijk allemaal “gezondheid” en “welzijn” voor katten. In onze fokkerij zouden deze aspecten dus top-prioriteit moeten hebben. Eigenlijk is er maar één aspect waarover mogelijk verschil van inzicht zou kunnen ontstaan, waar de doorsnee kittenkoper al erg gelukkig is met “gewoon maar, een kat van dat ras”, gaat de fokker op zoek naar de nòg betere rasvertegenwoordiger.

Bij de formulering van ons fokdoel moeten we uitgaan van de basisdoelstellingen die voor elk kattenras gelden: we willen het ras behouden en verbeteren. We dienen daarbij aan te tekenen, dat in deze doelstellingen een strijdigheid schuilt. Wie bezig is met verbeteren (veranderen) doet duidelijk concessies aan het behouden. We kunnen die slechts omzeilen door goed af te spreken wat we willen behouden en welke aspecten we willen verbeteren (veranderen). Daarbij zal de discussie zich ongetwijfeld toespitsen op de vraag welke van de huidige kenmerken van het ras al “voldoende rastypisch” zijn (die we dus alleen maar hoeven te behouden) en welke kenmerken mogen (moeten) worden veranderd.

Behouden

sjors096 kleinVoordat we toe zijn aan “behouden” moeten we eerst vaststellen wat we willen behouden. Een ras bestaat uit een groep individuen die samen een genenpool van het ras vormen (bezitten). Door het aangaan van onderlinge paringscombinaties wordt deze genenpool door elke generatie doorgeven naar de volgende. Wanneer we een ras willen behouden, moeten we er dus voor zorgen dat die genenpool behouden blijft.
Er is maar één manier om de genenpool van een ras te behouden: we moeten onze fokdieren zodanig gespreid kiezen uit alle geledingen van het ras, dat ze allemaal samen het genenbezit van het ras doorgeven naar de volgende generatie. We zullen elke generatie opnieuw een zo goed mogelijke steekproef van het erfelijke materiaal van het ras moeten doorgeven.

In de praktijk van de gezelschapsdierenfokkerij wordt hier op grote schaal tegen gezondigd. Fokkers hebben de neiging om elke generatie opnieuw op zoek te gaan naar een zo klein mogelijke groep “topdieren” die als ouders voor de volgende generatie worden ingezet. Daarmee gaat elke generatie opnieuw een deel van de erfelijke variatie van het ras verloren.
Dit fokbeleid heeft een aantal nare gevolgen. We zien de genenpool langzaam maar zeker kleiner worden en daarmee het inteeltniveau toenemen. Naarmate het inteeltniveau toeneemt, neemt de vitaliteit van het ras af. De dieren worden gevoeliger voor alle mogelijke omgevings-invloeden, ze worden vaker, sneller en ernstiger ziek en het percentage bange en nerveuze dieren neemt toe. Bijna zonder uitzondering zien we de gemiddelde levensduur van rassen afnemen bij het toenemen van het inteeltniveau. Ook de vruchtbaarheid gaat achteruit omdat er in alle fasen van het voortplantingsproces stoornissen optreden. Poezen nemen vaker niet op, het aantal bevruchte eicellen neemt af, het aantal geboren kittens wordt kleiner en de kittensterfte neemt toe.
Het voor de korte termijn meest opvallende en meest dramatische gevolg van toenemende inteelt is de explosieve toename van erfelijke gebreken en stoornissen. In natuurlijke populaties houden we rekening met frequenties van erfelijke afwijkingen die we uitdrukken in promillen, bij ingeteelde rassen zien we erfelijke afwijkingen in procenten, soms zelfs in tientallen procenten optreden.

In het licht van onze doelstellingen kunnen we het gevolg van deze fokkerijmethode op twee manieren aanduiden: we doen geen recht aan onze primaire doelstelling “behouden” en we veroorzaken een situatie waarbij de gezondheid en het welzijn van onze katten worden geschaad. Daarmee, ondanks alle goeie intenties en oprechte bedoelingen, schieten we ons doel volledig voorbij.

Verbeteren

DCF 1.0Wanneer fokkers het hebben over “verbeteren”, dan komen er al gauw allerlei beschouwingen over het verbeteren van het exterieur. De katten zouden nòg fraaier, nòg rastypischer kunnen worden. Wie in de fokkerij van een ras is ingevoerd, kan feilloos aangeven op welke punten er nog verbeteringen mogelijk zijn. Het is echter de vraag in hoeverre het gerechtvaardigd is om daaraan de hoogste prioriteit in ons selectieprogramma te geven. Het lijkt erop dat verdere ontwikkeling van rastypische kenmerken eerder het sluitstuk dan het startpunt van een fok- en selectieprogramma zou moeten zijn.

Bij de bespreking van de belangen zagen we dat “welzijn van katten” het centrale thema is voor alle betrokken partijen. “Welzijn” is echter zo’n begrip waar we weinig mee kunnen. In concrete situaties kunnen we meestal goed aangeven of er sprake is van gebrek aan welzijn. We kunnen welzijn echter niet meten en dus zijn er geen mogelijkheden om “de mate van welzijn” als eigenschap (als kenmerk) van de kat in een selectieprogramma op te nemen. Welzijn is nu eenmaal heel wat anders dan “niet-ziek” of “niet-gestresst”.
We zijn bij de selectie ten gunste van welzijn aangewezen op een indirecte benadering. Bij elk kenmerk moeten we ons afvragen of het in zijn huidige vorm, eventueel in de “verbeterde” vorm, bijdraagt of afbreuk doet aan welzijn van de kat. In de praktijk van de fokkerij zal het dan ook meestal zo zijn dat de selectie ten gunste van welzijn vooral loopt via het uitsluiten van dieren die ongewenste (welzijnsaantastende) kenmerken hebben of vererven.

Fokkerijbeleid

In de huidige praktijk van de raskattenfokkerij wordt “positieve selectie” toegepast. We kiezen de beste katten van het ras en zetten die in als fokdier. Dat betekent, dat we een heel beperkte steekproef uit het erfelijke materiaal van de oudergeneratie nemen, we gebruiken alleen de “beste” paar procent van de populatie en sluiten negentig procent of meer uit. Bij deze selectie van onze fokdieren wordt de inhoud van de begrippen “goed”, “beter” en “best” bepaald door de criteria die daarbij worden gehanteerd. Meestal worden deze begrippen vooral ingevuld vanuit de beoordeling van het exterieur van de katten.
De termen goed, beter en best geven geen informatie over wat in genetische zin in het belang zou zijn van het ras. De groep fokdieren zal in veel gevallen onderling nauw verwant zijn en vormt vrijwel zeker geen goede afspiegeling van het erfelijke materiaal dat bij de oudergeneratie aanwezig was. Elke generatie opnieuw gaat daardoor een deel van het erfelijke materiaal van het ras verloren en met het vorderen van de generaties gaan we de nadelige gevolgen daarvan in toenemende mate merken.

Als we dit proces van verlies van erfelijke variatie, van toenemend inteeltniveau en van achteruitgang van het gemiddelde welzijnsniveau van het ras willen stoppen, dan zullen we anders om moeten gaan met onze fokkerij en selectie. Dat kan alleen wanneer de fokkers er in slagen daar samen afspraken over te maken. We hebben in principe twee manieren om dat anders aan te pakken.

We zouden in ieder geval over moeten schakelen op ‘negatieve selectie’. We sluiten alleen de dieren uit die ècht afwijken van het rasbeeld zoals dat in de standaard wordt voorgeschreven.  We sluiten bovendien alle dieren uit die welzijnsstoornissen hebben waarvan we in redelijkheid kunnen vermoeden dat ze een erfelijke basis hebben. We bereiken daarmee dat de meeste dieren in principe in aanmerking komen om deel te nemen aan de fokkerij. We wijzen vervolgens binnen de overblijvende groep dieren de fokdieren aan. Die fokdieren moeten uit alle geledingen van het ras worden betrokken zodat ze samen een zo goed mogelijke steekproef uit het genetisch materiaal van het ras vormen.

Bij rassen, die vanwege hun (genetisch) beperkte omvang en/of hun al veel te hoog niveau van inteelt grote (welzijns)risico’s lopen, moeten we andersom te werk gaan. We mogen daar helemaal geen herkomsten (lijnen) meer verliezen en zijn dus genoodzaakt om uit elke “familie” fokdieren aan te houden. We passen daar “familieselectie” toe. Bij familieselectie ligt de eerste prioriteit bij het verkrijgen van een zo goed mogelijke steekproef uit het erfelijke materiaal van het ras. We willen immers niet nog meer van de erfelijke variatie verliezen. We kiezen de beste dieren binnen de beschikbare families, ook als die “beste” dieren niet helemaal aan onze eisen voldoen.
We zullen hierbij dus af en toe (soms zelfs vaak) concessies moeten doen aan onze selectiecriteria. Dit lijkt in aanvang een heel onaantrekkelijke manier van fokken en selecteren. We moeten daar echter bij bedenken dat we in de opeenvolgende generaties met onze selectie steeds dichter bij de idealen komen die we hebben gesteld, we kunnen stapje voor stapje steeds strenger selecteren. Bovendien, voortzetting van de huidige fok- en selectiemethode leidt tot een situatie waarin de gezondheids- en welzijnsproblemen harder toenemen dan we ze kunnen oplossen.

De rol van rasverenigingen

yamil097Bij de fokkerij van raskatten speelt de uiterlijke schoonheid van de kat een belangrijke rol. Het is het vertrekpunt voor de meeste fokkers. Ze worden gefascineerd door de verschijnings- vorm en de uitstraling van “hun ras” en willen daaraan bijdragen. Daar is niets op tegen, in tegendeel, dankzij de inzet van al die fokkers konden allerlei rassen overleven, gingen ze niet verloren in de niets-ontziende egalisering die we overal in onze maatschappij waar nemen. Rassen vertegen woordigen een stukje van de menselijke cultuur geschiedenis, ze zijn het waard om te worden behouden.

De gezondheids- en welzijnsproblemen die we bij nogal wat rassen waarnemen zijn vooral het gevolg van het individualisme in de fokkerij. Fokkers maken keuzes in hun lijn en voor hun cattery waar in de meeste gevallen weinig of niets op aan te merken is. Het  probleem is, omdat er geen gezamenlijk beleid is voor het beheer van de totale populatie van het ras, pakt het resultaat van al die keuzes tezamen nog wel eens verkeerd uit. Daarin zit het knelpunt, niet alleen voor raskatten, ook voor andere diersoorten die in de hobbysfeer worden gefokt.

Willen we in die situatie verandering brengen, dan zullen de fokkers bereid moeten zijn om samen met hun overkoepelende organisatie (met hun rasvereniging) tot afspraken te komen over het fokkerijbeleid. Fokkers zullen moeten beseffen dat ze op sommige problemen geen vat kunnen krijgen zo lang ze dat in hun eentje proberen te doen. Alle fokkers samen beheren de genenpool van het ras. Ze zijn ieder afzonderlijk ten zeerste afhankelijk van het fokkerijbeleid van al hun collega’s.
Het gaat bij een dergelijke samenwerking niet om het bereiken van een “centraal geleide fokkerij”. Het gaat erom een aantal gedragsregels af te spreken die in het belang van het ras zijn. Dat leidt natuurlijk zo hier en daar tot beperkingen, het is echter niet zo dat daarmee het einde in zicht is van de vrijheid van de fokker. Er blijft nog alle ruimte voor elke fokker om zijn eigen accenten in zijn lijnen te verankeren en zijn eigen fokkerij-idealen waar te maken.

Indien we er in slagen om tot een ander fok- en selectiebeleid te komen, indien het lukt om het verdere verlies van erfelijke variatie van het ras af te remmen of helemaal te stoppen, dan hebben we voor het ras onze eerste grote winst binnengehaald. We hebben dan bereikt dat een aantal negatieve ontwikkelingen op het vlak van gezondheid en welzijn tot staan worden gebracht. De vitaliteit gaat niet verder achteruit en er komen geen nieuwe explosies van erfelijke afwijkingen. De fokkers kunnen dan in alle rust gaan selecteren tegen de afwijkingen die tot rasprobleem zijn geworden zonder dat ze telkens verrast worden door weer nieuwe problemen die de kop opsteken.

Het woord is aan de fokkers, zij hebben de toekomst van hun ras in handen.

Ed.J.Gubbels, geneticus,
Genetic Counselling Services

Bron : SIOK Magazine,